Home

Wegens verdwijnen van artikel op oorspronkelijke plek gered vanaf: https://web.archive.org/web/20150109002933/http://www.vn.nl/Standaard-media-pagina/BullensBlunders1.htm

 

Wayback Machine

dec jan feb
Previous capture 9 Next capture
2014 2015 2016
1 captures
9 jan 15 – 9 jan 15

sparklines

Close
Help

Weekblad
Selecties
Service
Zoeken
Word lid

Bullens’ blunders
Door Mischa Cohen & Marian Husken
24 maart 2007
Leestijd: 41 minuten

‘Onmenselijk,’ vindt Ruud Bullens de kritiek op zijn rol bij het onderzoek naar de Schie­dam­mer parkmoord. De pro­fes­sor in de forensische psychologie is tot zondebok gemaakt voor de grootste justitiële dwaling van de laatste jaren, zegt hij. Op basis van zijn rapportages werd een on­schuldige veroordeeld voor de moord op Nienke en de poging tot moord op haar vriendje Maikel, zeven jaar geleden (zie kader vorige pagina). Hij is ‘gewaarschuwd’ omdat hij als getuige-deskundige de regels voor het verhoren van kinderen uit het oog verloor: hij greep niet in toen het elfjarige slachtoffer Maikel keihard werd verhoord. Bovendien ging hij als psycholoog zelf rechercheren toen hij de jongen ondervroeg onder het mom van een persoonlijkheids­onderzoek. Bullens’ opmerking dat de elf­jarige Maikel een ‘groot geheim’ bij zich droeg, maakte het verhoor mogelijk van de jongen als potentiële mededader.

Doordat justitie mede op grond van Bul­lens’ inbreng twijfelde aan Maikels signalement van de dader zat een man die niet aan de beschrijving voldeed vier jaar gevangen en liep de echte moordenaar vrij rond. Bullens’ hooggeleerde collega’s vielen over hem heen. ‘Als gedragsdeskundigen opzij kunnen kijken terwijl de politie ze op een onverantwoorde manier en niet volgens de richtlijnen verhoort, zijn kinderen vogelvrij,’ stelde hoogleraar forensische psycholo­gie Corine de Ruiter. Vorig jaar verweet een overheidscommissie onder leiding van advocaat-generaal Frits Posthumus Bullens ‘onbegrijpelijk’ en ‘ontoelaatbaar’ gedrag. En vorige week verscheen een vernietigende kritiek op zijn functioneren in het Nederlands Juristenblad, geschreven door hoogleraren Ido Weijers en Josine Junger-Tas (de grand old lady op het gebied van jeugdcriminaliteit). Net als Bullens zijn zij adviseurs van het ministerie van Justitie op het gebied van jeugdrecht.

Waar anderen zich misschien even op de vlakte hadden gehouden, kiest Bullens voor de vlucht naar voren. De bijzonder hoogleraar voelt zich het mikpunt in een debat waarin ‘ongegronde emoties’ de overhand hebben gekregen. Hijzelf is nu het slachtoffer: ‘Het is een nachtmerrie. De onderbuik van de samenleving heeft zich over me uitgestort.’ Fel haalt hij in vakbladen uit naar collega’s en wetenschappers die hem ‘zonder ook maar te benaderen’ aan het kruis nagelden. Hun verwijten dat hij een kind heeft ‘mishandeld, gemarteld en getraumatiseerd’ noemt hij ongehoord en onbewezen. Er zíjn geen regels voor het verhoor van kinderen, dus kon hij die ook niet overtreden. Hij deed gewoon zijn werk.

Bullens relativeert de officiële waarschuwing die hij kreeg van zijn eigen beroepsorganisatie als ‘de allerlichtste vorm van tuchtrecht die een beroepsgroep kan uitspreken’ en wijst liever op zijn ‘vrijspraak’ door de tuchtraad van de pedagogenorganisatie op een andere beschuldiging. Dat hij niet ingreep bij het extreem harde verhoor van Maikel valt hem volgens het College van Toezicht van zijn beroepsvereniging niet te verwijten – een uitspraak waar vooral door psychologen met verbijstering op is gereageerd. Professor Corine de Ruiter: ‘Bij de psychologen zou heel anders zijn omgesprongen met deze zaak. Als je je bij ons niet aan de regels houdt, volgt daar een sanctie op. De beroepsethiek van pedagogen is kennelijk minder sterk ontwikkeld.’

Dat is nog maar de vraag, want inmiddels schaart ook hoogleraar jeugdrechtspleging en hoofddocent pedagogiek Ido Weijers zich in het koor der critici. Hij is het pertinent oneens met de conclusies van de tuchtraad. ‘Er is op meerdere punten een schadelijke onduidelijkheid geschapen.’ Bullens heeft in het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord op verschillende punten geblunderd, zegt Weijers. Hij vindt het ‘onacceptabel’ dat de pedagoog zijn excuses nog niet heeft aangeboden. ‘Hij dacht met de politie mee over het verhoor, maar was ook aangesteld om het welzijn van de jongen te bewaken. De heldere regel van zijn beroepsvereniging luidt: als er spanning is tussen belangen, dan staat altijd het belang van het kind voorop. Bovendien heeft Bullens Maikel onder de noemer “persoonlijkheidsonderzoek” een privéverhoor afgenomen. Hij heeft als pedagoog politieman gespeeld en de zwaarste regel overtreden die er is: die van de vertrouwelijkheid.’ Buiten medeweten van Maikel en zijn ouders gaf Bullens de bandopnamen van zijn “verhoor” aan de politie. Dat werd achterhaald door de commissie-Posthumus, die onderzocht hoe het onderzoek zo had kunnen ontsporen. Bullens ontkende aanvankelijk het bestaan van de banden en bood aan: ‘Als je opnamen vindt, mag je me zo voor de tuchtrechter slepen.’ Later was hij ‘vergeten’ dat hij een bandje aan de politie had overhandigd. ‘Hoe kan iemand zoiets ingrijpends vergeten?’ zegt Weijers.

‘Het allerernstigst is het doorspelen van die audiotapes naar de politie,’ vindt ook Corine de Ruiter. ‘Dat is een heel zware schending van zijn beroepsgeheim.’

Donners banvloek

Dr. R.A.R. Bullens (Eindhoven, 1951) leest nooit kranten en kijkt vrijwel geen televisie. Ook de publiciteit rond zedenzaken volgt hij nauwelijks. ‘Niet nodig,’ zei hij in een interview. Op hun beurt wisten de media hem de afgelopen dertig jaar heel goed te vinden. Hij werd in de loop der tijd als deskundige opgevoerd in een bijzondere reeks kwaliteiten: orthopedagoog, gezondheidszorgpsycholoog, kinderpsycholoog, seksuoloog, psychotherapeut, professor in de forensische diagnostiek, hoogleraar familierecht, psychiater, hoogleraar psychologie of hoogleraar kinder- en jeugdpsychologie. Niet gecorrigeerde slordigheden in de media, maar iederéén mag zich psycholoog noemen, dus zeker ook een gepromoveerde orthopedagoog. Daarbij vergrootte dat brede spectrum het afzetgebied van zijn deskundigheid.

Bullens hoort dan ook al sinds de jaren zeventig bij de vaste experts op wie politie en justitie steevast een beroep doen in zedenzaken waar kinderen bij betrokken zijn. Het is een select clubje, waar je moeilijk tussen komt, zegt Eric Rassin, hoofddocent rechtspsychologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam: ‘Het Pieter Baan Centrum is het beste voorbeeld van een monopoliepositie. Maar op een informeler niveau werkt het ook zo: heeft het OM bij het rond krijgen van een zaak veel aan Ruud Bullens, dan huren ze hem een volgende keer weer in. De ad­vocatuur zoekt juist een kritische blik op het bewijs en kiest voor rechtspsychologen als Willem Wagenaar, Crombag en Van Kop­pen om kritiek te leveren op de bewijsvoering.’

Dat rechters steeds zwaarder leunen op deskundigenberichten is een algemene trend binnen de rechtspraak. Gezond verstand en grondige kennis van de wet is niet meer voldoende als de waarheid gezocht moet worden in statistische berekeningen of DNA-sporen. In zedenzaken waar jongeren bij betrokken zijn, koersten rechters de afgelopen jaren vaak op de getuigenis en de rapportage van Ruud Bullens. Politie en Openbaar Ministerie vroegen hem om ondersteuning bij verhoren. Alleen al de afgelopen paar jaar viel zijn naam in ruim veertig vonnissen en arresten. De opvallende oproep van voormalig minister van Justitie Donner om Bullens bij wijze van ‘straf’ voor zijn rol in de zaak van de Schiedammer parkmoord geen opdrachten meer te geven, kostte de deskundige dan ook een belangrijke klant. Volgens bronnen binnen het opsporingsapparaat is hij inmiddels inderdaad verwijderd uit de kaartenbak van de ‘deskundigenmakelaar’ van de Nederlandse Politieacademie. Toch maakt hij nog steeds rapportages voor het Openbaar Ministerie, en zit hij ook nog in de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken.

Begin dit jaar opende Bullens nog een eenmanspraktijk aan de Amsterdamse Keizersgracht, gespecialiseerd in forensisch diagnostisch onderzoek voor justitie. Kennelijk ging hij ervan uit dat de banvloek van Donner onder Hirsch Ballin niet lang stand zal houden. ‘Het lijkt me vanzelfsprekend dat het verhaal van Donner om mij geen opdrachten meer te geven van tafel moet,’ zei hij tegen de VPRO-radio. ‘Ik ben veroordeeld zonder dat er een proces heeft plaatsgevonden.’ Het enige dat hij in de tussentijd kan doen, zegt Bullens, is zijn wetenschappelijke arbeid weer oppakken.

Omstreden leerstoel

Een hoogtepunt in Bullens’ wetenschappelijke carrière was de benoeming, in 1998, tot bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Professor Bullens, gepromoveerd op Beroepskeuze in LBO-IBO, heeft als leeropdracht kinder- en jeugdpsychologie.

Rechtspsycholoog Eric Rassin ziet in Bullens dan ook meer een man van de praktijk dan een wetenschapper. ‘De criteria die Bullens toepast om de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen te toetsen, zijn wetenschappelijk gezien onbruikbaar. Je maakt er domweg te veel fouten mee. Maar als praktijkman zal Bullens vervolgens vragen: heb je dan wat ánders? Nee, dat hebben we niet. En als je als deskundige bent ingehuurd, kan je moeilijk zeggen: nee, op díé vraag heb ik even geen antwoord. Daar komt bij: er is niemand om je tegen te spreken. Als je de professor bent en je bent de enige die om advies wordt gevraagd, dan moet je wel heel nederig zijn om na dertig jaar niet te denken: als ík dat zeg, dan ís het zo.’

Bullens’ hoogleraarschap was overigens ook niet onomstreden. Zijn leerstoel werd ingesteld door de beroepsvereniging van extern deskundigen die een jaar eerder was opgericht door leden van Bullens’ eigen onderzoeksinstelling. Dat leidde tot achterdocht bij cliëntenorganisaties die hadden gehoopt op een onafhankelijk professoraat. Dat een oude tegenstander die leerstoel zou gaan bemachtigen, leidde tot verontwaardiging. ‘De geldschieter voor de leerstoel zou zelfs de schijn van belangenverstrengeling moeten vermijden,’ waarschuwden ze.

De kritiek kwam vooral uit de hoek van teleurgestelde ouders die hun kind niet of nauwelijks mogen zien, en elkaar hadden gevonden in de organisatie SOS-papa. Sommigen van hen kenden Bullens als de gedragswetenschapper die rapporteerde aan de Raad voor de Kinderbescherming, de instantie die beslist over ontzetting uit de ouderlijke macht of het vaststellen van het omgangsrecht. De ‘papa’s’ zochten de publiciteit als emotionele Batmans, maar naast deze enigszins querulanterige acties hadden enkelen van hen zich ook vastgebeten in juridische procedures om hun kinderen te mogen zien.

De actiegroep richtte zijn pijlen vooral op de onderzoeken die de kinderbescherming laat uitvoeren door het ABJ van Ruud Bullens, dat in 2001 opging in de stichting Fora. In een zwartboek stelde de actiegroep vast dat medewerkers of leden van het bestuur van die stichting in het verleden bij justitie werkten of andersom. Dat voedde het wantrouwen over de objectiviteit van de onderzoeken.

In Trouw stelde Maarten Legene van SOS-papa dat de onderzoekers maar één doel hebben: ‘De ene ouder moet onbevoegd worden verklaard, de andere niet. Ik was niet alleen mijn dochter kwijt door hun rapportage, maar ik werd ook nog voor gek verklaard – ik zou een narcistische persoonlijkheidsstoornis hebben.’

Hij stond niet alleen in die kritiek. Ook het medisch tuchtcollege tikte Bullens’ bureau op de vingers wegens onvoldoende onderbouwing van twee rapporten in deze zaak. Bullens zat niet erg met deze terechtwijzing. In Trouw legde hij uit dat van de tweeduizend zaken die zijn bureau jaarlijks behandelde er maar ‘pakweg zo’n zestig om het ouderlijk gezag en de omgangsregeling draaien’. Emoties lopen daarbij nu eenmaal soms hoog op, luidde zijn verweer. De getormenteerde ouders waren bij hem aan het verkeerde adres. ‘Wij werken volgens de wet. Die rapporten vormen een onderdeel van de besluitvorming van rechters, maar we weten niet hoe zwaar ze wegen.’

Bolderkar-affaire

Een van Bullens’ eerste publicaties als professor was ‘Getuige-deskundigen in zedenzaken: de positie van de gedragswetenschapper bij strafzaken rond mogelijk seksueel misbruik van kinderen’. Theorievorming op het gebied van kindverhoren was hard nodig, wist Bullens – de praktijk was de afgelopen jaren weerbarstig gebleken. Zoals in 1988, toen tien kinderen uit het medisch kleuterdagverblijf ‘De Bolderkar’ in Vlaardingen uit huis werden geplaatst wegens vermeend seksueel misbruik en incest. Vaders belandden in de cel op basis van psychiatrische rapporten van het onderzoeksbureau van Bullens. De media stortten zich en masse op deze verontrustende incestzaak, die al snel de Bolderkar-affaire werd gedoopt. Lang hadden kinderpsychiaters en -psychologen het probleem van incest niet willen zien, vervolgens durfden ze er niet echt naar te vragen. Bij De Bolderkar gebeurde dat wél, en grepen de medewerkers van het medisch kinderdagverblijf, gesteund door de rapportage van de gedragsdeskundige, voortvarend in.

Bullens was als directeur van het ABJ verantwoordelijk voor de rapportage. Een medewerker van Bullens behandelde een meisje van drie jaar dat heel agressief was – gedrag dat volgens de pedagoge voortkwam uit seksueel misbruik door haar vader. Voor het onderzoek werd gebruik gemaakt van ‘anatomische poppen’: mannetjes en vrouwtjes met geslachtsdelen en schaamhaar. Met deze poppen krijgen kinderen de kans om te laten zien wat ze niet onder woorden kunnen of willen brengen. Al snel maakten méér kleuters duidelijk dat hun vader vieze spelletjes met hen had gedaan. Negen kinderen werden gedwongen uit huis geplaatst vanwege sterke indicaties van seksueel misbruik.

De Bolderkar-affaire leidde tot een verwoed debat over de poppenmethode: een acceptabel hulpmiddel om zedenzaken op te lossen of ‘boerenbedrog’?

De gealarmeerde gezondheidsinspectie stelde een onderzoekscommissie aan. Het eindoordeel was vernietigend, vanwege de ongenuanceerdheid van de rapportage. Later werd door de deskundige toegegeven dat men zonder meer de verhalen van de kinderen had geloofd. ‘Wij houden geen slagen om de arm. Wanneer de belangen van ouders en kinderen zo ver uit elkaar liggen, moet je voor het kind kiezen. Je zult moeten zeggen dat het kind met lichamelijke en zedelijke ondergang wordt bedreigd. Daar kan geen jurist omheen.’

Kennelijk kon dat wel: de affaire ging vervolgens uit als een nachtkaars. Drie vaders die aanvankelijk hadden bekend, trokken hun verklaringen in. Alle bij justitie aanhangig gemaakte zaken werden geseponeerd en de meeste uit huis geplaatste kinderen mochten weer terug.

De beroepsvereniging van pedagogen, die zich in de zaak-Maikel terecht zo nadrukkelijk roerde, mengde zich destijds nauwelijks in dit debat. Maar het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) stelde eind 1989 vast dat de poppenmethode ‘behoort tot de wat wordt genoemd projectieve testtechnieken zoals de inktvlektest. Dergelijke testtechnieken zijn in wetenschappelijke kring zeer omstreden en worden door bonafide psychologen niet gebruikt.’

De poppen leken voorgoed te worden opgeborgen. Maar niet door Bullens. In NRC Handelsblad vertelde hij dat de anatomische poppen alleen ‘om strategische redenen’ in de kast werden gezet. Natuurlijk waren er ‘procedurele fouten’ gemaakt bij onderzoek naar seksueel misbruik, maar hij hield vol dat de poppen een nuttig hulpmiddel kunnen zijn voor incest-onderzoek.

Demagogisch optreden

In 1989 kwam de Tilburgse ‘Swagten-zaak’ in de publiciteit: drie kinderen beschuldigden hun vader van seksueel misbruik en gebruik van geweld. Bullens’ bureau was ingeschakeld om de getuigenissen van de kinderen te beoordelen. De rechtbank veroordeelde de vader mede op basis van die rapportage tot vier jaar cel. Maar anderen vonden dat de kinderen met behulp van anatomische poppen ten onrechte als ‘betrouwbare’ getuigen waren gekwalificeerd. In 1992, tijdens het hoger beroep, werd het rapport van Bullens in twijfel getrokken door hoogleraar functieleer prof.dr. Willem Wagenaar, expert op het gebied van de betrouwbaarheid van het geheugen.

Piet Doedens, de raadsman van de vader, vertelt waarom hij vijftien jaar geleden vroeg om een contra-expertise van Wagenaar. ‘Er waren toen nog geen kindvriendelijke studio’s voor de verhoren van kinderen. En deze drie kinderen waren ook nog heel jong. Ik had meer vertrouwen in het oordeel van professor Wagenaar.’ Wagenaar was, samen met de rechtspsychologen Hans Crombag en Peter van Koppen, auteur van het dat jaar verschenen standaardwerk over dwalingen in het recht: Dubieuze Zaken. Het boek leverde onder meer kritiek op onderzoek van orthopedagogen in incestzaken. Die deskundigen bleven anoniem – alleen een ingewijde herkende de onderzoekers van Bullens en de Bolderkar-affaire.

Over de Swagten-zaak was Peter van Kop­pen, tegenwoordig hoogleraar in de rechtspsychologie, minder terughoudend. Hij stelde in het Algemeen Dagblad ronduit dat ‘die verhoren in de Swagten-zaak echt niet kunnen’.

Van Koppen, tot voor kort samen met Bullens lid van de Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, richtte zijn kritiek destijds in het algemeen op deskundigen die op de stoel van de rechter gaan zitten. Ruud Bullens voelde zich kennelijk toch persoonlijk aangevallen en voelde zich genoodzaakt tot een publieke verdediging – een vast patroon na aanvaringen met pers en collega’s: ‘Je hebt een conflict, bij de beslechting ervan spelen onze rapporten een rol. Er moet een “0-1-beslissing” vallen. Een aantal in de uitslag teleurgestelde mensen heeft elkaar kennelijk gevonden.’ Hij ergerde zich aan het demagogische optreden van zijn tegenstanders: ‘Ze doen nog steeds alsof wij ideologische malloten zijn, die achter de bosjes klaar liggen met anatomische poppen om kinderen negatieve dingen over hun vader te laten vertellen, zodat we mannen naar de gevangenis kunnen sturen.’

Omdat justitie zonder betrouwbare verklaringen niet strafrechtelijk kan optreden, werden heel jonge kinderen nu in feite aan hun lot overgelaten, stelde Bullens. Geen psychiater, psycholoog of pedagoog durfde nog onderzoek te doen met behulp van poppen. Toch moesten de misbruikers van jonge kinderen worden gestopt. En er waren al zo weinig mensen met dit soort expertise. ‘Als tegenstanders dan ook nog keer op keer proberen je onderuit te halen, dan heeft dat consequenties. Steeds meer hulpverleners zeggen: láát maar.’

Ingrijpen

Inmiddels is daar verandering in gekomen, zegt Jannie van der Sleen, schrijfster van Het kind als getuige, een standaardwerk op het gebied van het verhoren van kinderen. Ze heeft een advies- en trainingsbureau waar ze politiemensen leert hoe ze kinderen kunnen verhoren. Voor ze voor zichzelf begon, gaf Van der Sleen tien jaar lang de opleiding ‘horen van jonge getuigen’ aan de Nederlandse Politie Academie. Ruud Bullens was daar toen eens per jaar gastdocent.

Desondanks is psychologe Van der Sleen, die veel met Bullens samenwerkte, verontwaardigd over de uitspraak van het College van Toezicht dat Bullens’ niet-ingrijpen in het verhoor van Maikel gerechtvaardigd was. Ze heeft die uitspraak in een open brief samen met dertien andere vooraanstaande leden van de beroepsgroep bekritiseerd.

‘Het is onacceptabel dat uit die uitspraak volgt dat je als pedagoog niet bevoegd bent om in te grijpen als een kind onder je ogen mishandeld wordt tijdens een verhoor. Terwijl sturen en coachen juist je rol is bij het verhoren van kinderen. Ik grijp heel vaak wél in. Niet door de verhoorkamer binnen te rennen en te roepen “stop hier onmiddellijk mee”, maar door een briefje binnen te laten brengen met het verzoek een pauze in te lassen om voor overleg naar de regiekamer te komen of door op het briefje aanwijzingen of vragen te schrijven.’

Ook hoogleraar forensische psychologie Corine de Ruiter maakt zich zorgen over die verkeerde beeldvorming die het gevolg is van Bullens’ werkwijze: ‘Straks vat de gedachte post dat ál die psychologen zo te werk gaan. Nou, ik dacht het toch niet.’

De baas van Teddy

Ruud Bullens stelde begin jaren negentig vast dat niet meer dan tien hulpverleners, onder wie hijzelf, nog actief waren bij onderzoek naar seksueel misbruik van kinderen. Dat betekende veel werk voor de getuige-deskundige. Frits Abrahams reisde in die dagen voor zijn rechtbankrubriek in NRC Handelsblad de rechtszalen langs en soms kruiste zijn pad dat van Ruud Bullens. Zo was hij in Utrecht bij een proces tegen een man met een poedeltje. Op klaarlichte dag zou deze ‘baas van Teddy’ zich tientallen malen hebben vergrepen aan twee kinderen die speelden op een buurtweitje, waar hij zijn hondje uitliet. De man ontkende de beschuldigingen van de kinderen. Tot vlak voor zijn aanhouding kwam een van de slachtoffertjes als ze hem zag altijd nog spontaan spelen met ‘Teddy’. ‘Als ze bang voor me was, zou ze dat toch niet doen,’ noteerde Abrahams.

Ruud Bullens, die door de rechter werd gehoord, vond de verhalen van de ‘hoogbegaafde’ kinderen overtuigend. Hij geloofde niet dat de kinderen het slachtoffer waren van hun fantasieën en van aansporingen van derden, zo betoogde hij in de rechtszaal.

Advocaat van de verdachte was Rolf Jelsma. Uit Abrahams’ verslag bleek dat hij vraagtekens zette bij de bewijsvoering van het OM. Had de politie wel een buurtonderzoek uitgevoerd? ‘Want er zou wel dertig keer sprake zijn geweest van misbruik van een meisje. Zoiets moet toch opvallen?’ meende hij. Voor de aanklager was dit ‘kennelijk een impertinente vraag’, want hij ‘trekt een smalend gezicht,’ schreef Abrahams. ‘Maar uit zijn vage antwoord blijkt dat dat buurtonderzoek niet is gebeurd.’

Rolf Jelsma nu: ‘Ik kan me deze zaak nog goed herinneren. Als je foto’s van de locatie zou zien, kun je je niet voorstellen dat wandelaars nooit iets hebben gemerkt van wat zich daar zou hebben afgespeeld. De man werd veroordeeld op basis van verklaringen van de kinderen. En dat vonnis is bekrachtigd tot aan de Hoge Raad toe.’

In die tijd achtten rechters zedenzaken soms al bewezen op basis van flinterdun bewijs, vertelt Jelsma. Hij doet geen zedenzaken meer en kan met enige afstand terugkijken op de jaren van grote verontwaardiging over de ene na de andere incestzaak.

‘De walging in de maatschappij maakt de neiging om zo iemand meteen tot dader te bestempelen heel groot. Ik heb zelf de kinderen nooit mogen verhoren en er was geen bandopname van hun getuigenis. Ik moest het doen met een transcriptie van het gesprek met de politie, maar uit zo’n verslag kun je niet opmaken hoe dwingend de vragen zijn gesteld. Ik heb inmiddels zelf kinderen en ik kan me voorstellen hoe kwaad je bent als je zoon of dochter met zo’n verhaal thuiskomt. Dat kan van invloed zijn op wat kinderen aan de politie vertellen. Toch werd hun verhaal, mede op basis van getuige-deskundige Bullens, door de rechter als waarheidsgetrouw aanvaard.’

Kinderen afgenomen

Een wetenschapper als getuige-deskundige legt niet, zoals een gewone getuige, de eed af dat hij de waarheid zal vertellen, maar alleen om zijn taak ‘naar geweten’ te vervullen. De rechter krijgt van hem horen wat op basis van zijn wetenschappelijke kennis zijn ‘gevoelen’ is over ‘datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is’. Maar dat gevoelen van de getuige-deskundige kan samen met slecht politiewerk de rechter op het verkeerde been zetten, merkte ook advocaat Aart van Voorthuizen. Hij staat al bijna twee decennia zedenverdachten bij en trof dus ook vaak rapportages van pedagoog Ruud Bullens aan in de strafdossiers van zijn cliënten. Begin jaren negentig verdedigde hij een jonge vrouw – alleenstaande moeder met twee kleine kinderen – die haar buurjongetje van elf jaar zou hebben gepijpt. De vrouw was opgeroepen om naar het politiebureau te komen. Daar werden meteen haar kinderen afgenomen en werd ze een verhoorkamer in geduwd. Ze werd ter plekke ongesteld, maar de politie reikte haar geen verband aan. Haar kleren zaten onder het bloed. Later zei ze dat ze alleen had bekend omdat ze dan weer naar haar kinderen mocht. Er was in werkelijkheid heldmaal niets gebeurd, ze was onschuldig, vertelde ze aan de rechter.

Het politieverhoor van de jongen was op band opgenomen en werd voorgelegd aan Ruud Bullens. Die vond het een betrouwbaar verhoor, details zouden kloppen met de ‘bekentenis’ van de vrouw. Ze werd dus veroordeeld. Van Voorthuizen nu: ‘Dat politieverhoor van die vrouw, daar lustten de honden geen brood van. In hoger beroep is ze dan ook meteen vrijgesproken.’

De advocaat vertelt vanuit zijn praktijkervaring dat het Openbaar Ministerie vrijwel altijd een dwingende voorkeur uitspreekt voor Ruud Bullens als deskundige. ‘Ik had twee jaar geleden in een zedenzaak in Lelystad gevraagd om professor Wagenaar naar de opname van een videoverhoor te laten kijken, maar het Openbaar Ministerie wilde per se Bullens omdat dat kennelijk meer in hun lijn ligt.’ En zo gebeurde het, want, zegt Van Voorthuizen, ‘rechters volgen daarin vaak wel degelijk kritiekloos het in rapporten verpakte “gevoelen” van de deskundigen van het OM. En op basis daarvan wordt iemand veroordeeld.’

Orgieën met de koffiejuffrouw

Bullens’ hulp werd niet alleen ingeroepen bij kinderen. Zo werd halverwege de jaren negentig een beroep gedaan op zijn deskundigheid toen een vijfenveertigjarige koffiejuffrouw van het korps Haaglanden na jaren eindelijk haar belagers durfde aan te klagen. Ze claimde dat ze jarenlang door vijf politiemannen was geïntimideerd, verkracht en gedwongen om orgieën bij te wonen. Alle verdachten ontkenden. Het slachtoffer werd bijgestaan door advocate Gabi van Driem, die vertelde dat haar cliënte doodsbang was geweest. Ze durfde nu te praten, omdat ze na een reorganisatie andere superieuren had gekregen. In haar aangifte beschuldigde ze ook een gepensioneerde korpschef. Twee politiemedewerkers werden meteen daarna aangehouden.

De anderen werden met onmiddellijke ingang geschorst in het kader van een intern onderzoek, waarbij een beroep werd gedaan op gedragsdeskundige Ruud Bullens. Hij omschreef de koffiedame als iemand met een ‘eenvoudige belevingswereld’, maar hij achtte haar verklaringen betrouwbaar. Bullens tekende op aan seksuele misdrijven: aanranding, verkrachtingen, het met handboeien aan tafel of bed vastbinden, gedwongen perversiteiten en systematische dreigementen. Het Openbaar Ministerie had Bullens óók om een onderzoek gevraagd maar, zei advocate Van Driem, de koffiedame kon nog een verhoor emotioneel niet aan. Al werd ze door justitie aanvankelijk serieus genomen, een jaar later zag het OM toch af van verdere strafvervolging van de twee agenten.

De interne onderzoekscommissie hechtte, gevoed door het oordeel van Ruud Bullens, wel degelijk geloof aan het verhaal van de koffiedame. De twee vrijgesproken dienders werden ontslagen, een derde kreeg een berisping. Maar de gepensioneerde korpschef die zich in zijn eer en goede naam voelde aangetast, had op zijn beurt de koffiedame aangeklaagd wegens laster. De commissaris werd in het gelijk gesteld en kreeg een schadevergoeding toegewezen. Hij voelde zich het slachtoffer van de ‘op hol geslagen erotische fantasieën van een koffiejuffrouw,’ noteerden de verslaggevers. Ook de geschorste en ontslagen politiemedewerkers werden daarna gerehabiliteerd.

Parallel aan deze rechtszaken speelde zich een publiekelijk moddergevecht af tussen hooggeleerde heren. Prof.dr. Willem Wa­ge­naar, als deskundige ingeschakeld door de verdediging, noemde het ‘verbazingwekkend’ dat Bullens de getuigenis van de koffie­juf­frouw als ‘betrouwbaar’ kwalificeerde: ‘Bul­lens houdt er geen rekening mee dat het verhaal een mengsel kan bevatten van waarheid en onwaarheid. Ze kan vanuit een ziekelijke fantasie verzonnen gebeurtenissen aan haar herinnering hebben toegevoegd. De gebeurtenissen kunnen ook vrijwillig hebben plaatsgevonden en destijds als plezierig zijn ervaren. Pas later zouden de gebeurtenissen in een geheel nieuw en ongunstig perspectief kunnen zijn gereconstrueerd. Daardoor kan zij tot de slotsom komen dat zij indertijd is misbruikt.’ Bullens op zijn beurt verweet Wagenaar dat zijn rapport ‘is gekleurd door een hoog suggestiegehalte’ en hij betwistte de wetenschappelijkheid ervan.

Een onderzoeksrapport van de Nationale Ombudsman maakte uiteindelijk korte metten met het zedenonderzoek bij de Haagse politie. De Ombudsman kritiseerde het gebrek aan terughoudendheid bij de interne onderzoekers ten opzichte van de beschuldigde (oud-)collega’s. De interne commissie had zich, gevoed door de rapportage van Ruud Bullens, laten meeslepen door de verhalen van de koffiedame. Maar dit zou niet de enige keer zijn dat de gedragsdeskundige een doorslaggevende rol kreeg toebedeeld.

De affaire-Lancée

Het leek korte tijd het grootste zedenmisdrijf van de vorige eeuw: de dochter van René Lancée, politiechef van Schiermonnikoog, beschuldigde haar vader en andere familieleden in 1994 van seksueel misbruik. Het zeventienjarige meisje had aan haar mentor op school en later aan de Groningse recherche verteld hoe haar vader haar uitleende aan zijn vrienden. Ze zou verkracht zijn in de stallen van de manege, door mannen maar ook door dieren: een hond en een paard. Ze was meer dan tien keer zwanger geweest. Abortussen werden uitgevoerd door verschillende mensen. Aanvankelijk werden haar verhalen geloofd, en met veel machtsvertoon werden de Lancées aangehouden.

Maar toen het meisje tijdens de verhoren de feiten door elkaar haalde, besloot de politie om Ruud Bullens erbij te halen. Hij praatte met haar op 30 april 1996 – volgens Vrij Nederland destijds ‘buitengewoon voorzichtig’. Over het waarheidsgehalte van haar verhalen wilde hij na zijn vier uur durende gesprek geen eindoordeel geven. Daarvoor moest de politie nog een andere gedragsdeskundige inschakelen, die zijn gesprek met het meisje moest analyseren. Wel kreeg de recherche van hem op voorhand te horen dat hij haar verhaal ‘consistent’ achtte. En dat was niet tegen dovemansoren gezegd.

Er volgde een officiële aangifte tegen Lan­cée en er volgde een nader onderzoek naar de geuite beschuldigingen. Lancées justitiële vervolging werd pas gestaakt toen zijn dochter – daartoe aangespoord door een rechercheur die had vastgesteld dat een aantal feiten technisch niet konden kloppen – toegaf dat er in werkelijkheid niets was gebeurd.

Opnieuw dus een incestaffaire die met veel ophef begon, maar met een sisser afliep – ware het niet dat Lancée als burger en politieman zijn goede naam was kwijtgeraakt. De persofficier van justitie stelde destijds in VN dat de politie teleurgesteld was in Bullens. De opsporingsinstanties schoven de schuld door naar hem: ‘Want Bullens was voor veel geld ingeschakeld om te beoordelen of het meisje fantaseert of de waarheid spreekt.’

Bullens, die ook om commentaar werd gevraagd, hield zich aanvankelijk van de domme. Hij kon zich de zaak Lancée niet direct voor de geest halen, zo luidde zijn reactie in VN. Maar toen Lancée daarna zelf een gerechtelijke procedure aanspande tegen de overheid, bleek wel degelijk dat Bullens’ ‘voorlopige conclusie’ minder vaag was dan aanvankelijk werd gezegd. In een proces-verbaal stond wel degelijk vermeld dat hij de verhalen van Lancées dochter als ‘redelijk betrouwbaar en vrij van innerlijke tegenspraak’ beoordeelde. Het was dus niet zo gek dat justitie zich gesteund voelde om de politiechef van Schiermonnikoog in staat van beschuldiging te stellen.

Uiteraard confronteerde de advocaat van Lancée Bullens met deze conclusie over de betrouwbaarheid van het slachtoffer. Bul­lens antwoordde dat er ‘geen valide uitspraken kunnen worden gedaan over betrouwbaarheid van een verhoor, direct na afname ervan.’ Opnieuw wierp hij zijn verantwoordelijkheid als deskundige op wie het opsporingsapparaat zich verlaat, ver van zich af.

René Lancée is al enige jaren geen politieman meer: hij woont in Oostenrijk en schrijft romans. Het Nederlandse nieuws volgt hij op de voet en hij krijgt ‘kromme tenen’ als hij Bullens hoort praten over eerherstel voor zijn rol in het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord. ‘Allemaal kretologie, net zoals in mijn zaak. Bullens oordeelt veel te snel over de betrouwbaarheid van een getuigenis. Zelfs een leek zou dat nog beter kunnen doen. Toen heeft hij na afloop eigenlijk net zo geopereerd als nu. Mijn zaak was niet zijn eerste en Schiedam is niet zijn laatste misser.’

Al zegt Lancée dat hij de zaak achter zich heeft gelaten, het zit kennelijk nog diep. Want een dag later laat hij weten: ‘Wanneer Bullens na zijn recente missers schreeuwt om eerherstel, bewijst dat dat hij nog steeds niet verder kijkt dan zijn eigen ego. Er is nog geen enkel besef van de enorme schade die hij heeft aangericht met dat “professionele handelen”, dat al vele levens heeft verwoest.’

Het geweten van de rechter

In de dagelijkse praktijk van het bijzonder moeilijke onderzoek in zedenzaken wordt aan de mening van een gedragswetenschapper door politie en justitie veel waarde gehecht. Wat hij of zij te berde brengt – ook al is het een voorlopig oordeel – geeft kennelijk richting aan een onderzoek, zo blijkt uit opsporingsmissers in de historie. Ook in de rechtszaal wordt aan de deskundige als getuige veel macht toegekend. Een advocaat die Bullens dikwijls zag optreden, zegt hierover in Trouw: ‘Ruud Bullens is in zedenzaken het geweten van de rechter geworden. Als hij tijdens een proces zegt: die belastende verklaring is consistent en betrouwbaar, dan staat dat gelijk aan een veroordeling.’

Het is een gevaarlijke ontwikkeling. Rech­ters die, op zoek naar de waarheid, een beroep doen op deskundige bijstand van gedragswetenschappers, lopen namelijk het risico dat ze zich laten leiden door vermoedens in plaats van feiten. Want gedragswetenschappers, meent ook rechtspsycholoog Eric Rassin, kunnen nu eenmaal nooit onomstotelijk vaststellen of iets geloofwaardig is of niet: ‘De Bullensen onder ons pretenderen meer dan ze kunnen waarmaken. Je kunt heel indirecte indicaties geven maar niet op de manier zoals hij dat voorspiegelt. Als je aan Ruud Bullens zou vragen: jouw manier van onderzoeken werkt maar de helft van de tijd, dus je kunt net zo goed een muntje opgooien, dan zou hij antwoorden: “Dat zie je verkeerd. Als het in de helft van de gevallen werkt, dan is dat pure winst.” Het trieste is dat als elke psycholoog alleen maar zou verkondigen wat echt bewezen was, de rechter ons nooit meer zou vragen als getuige-deskundige. Door dit dilemma is het bijna onvermijdelijk dat dit soort missers zich voordoen.’

Niet alleen Bullens schiet tekort, zegt Rassin, en wijst op de beoordeling van de in de Schiedammer parkmoord ten onrechte veroordeelde Kees B. ‘In de rapportage van het Pieter Baan Centrum staat over Kees B. dat hij een passief-agressieve persoonlijkheid zou hebben en antisociale trekken. Je zou nu aan de mensen die dat indertijd hebben opgeschreven, moeten vragen: dat klinkt wel heel fijn, “passief-agressief”, maar Kees heeft toch helemaal niets misdaan? Wat is er nu over van die diagnose? Geldt die nu óók niet meer? Die mensen in het Pieter Baan Centrum vertellen – ongetwijfeld met de beste bedoelingen – minstens zulke grote onzin als Ruud Bullens.’

De Bullens-behandeling

Ruud Bullens deed de afgelopen jaren meer dan alleen in het getuigenbankje plaatsnemen: hij had als therapeut ook een belangrijke rol bij de nazorg van daders. Hij bleek zelfs een man met een missie.

Tijdens de eerste jaren van zijn carrière werd hem verweten dat hij er louter op uit was om incestplegers achter de tralies te stoppen. Maar dat ontkende hij hevig. ‘Ik wil deze mannen niet naar de gevangenis sturen, tenzij het leed zo groot is dat het niet anders kan. In mijn vak bestaat de opvatting: incestplegers, daar begin je niet aan. Ik vind dat een luxe standpunt.’

Bullens begon in de jaren tachtig al met het behandelen van zedendelinquenten. Het is een vak dat je met vallen en opstaan moet leren, zei hij in Vrij Nederland: ‘Toen ik als orthopedagoog met seksueel misbruikte jeugd werkte, kreeg ik te maken met een vader die zijn zaakjes heel goed verkocht. Een halfjaar nadat de therapie met het gezin was afgelopen, moest de dochter van twaalf een abortus ondergaan. Dat was een enorme schok voor me. Ik nam me toen voor: dat overkomt me geen tweede maal.’ Vanaf eind jaren tachtig was Bullens als coördinator betrokken bij het Rotterdamse initiatief om daders van incest een individuele therapie aan te bieden als alternatief voor gevangenisstraf. Van de mannen die zich meldden, kwamen er zevenendertig in behandeling en dertig maakten de behandeling af. In 2004 verscheen er een proefschrift van psycholoog Victor Kouratovsky over de effectiviteit van deze therapie. Kouratovsky nu: ‘Ik heb er lang aan gewerkt: veertien jaar. Ik kon de effectiviteit van de therapie niet bewijzen – ook niet ontkrachten, trouwens. Maar ik ontdekte wel dat deze mannen tot op latere leeftijd zeer risicovol zijn.’

Naast deze individuele behandeling werd al snel ook groepstherapie gegeven, vertelt Kouratovsky. ‘Daar was ook de reclassering bij betrokken. Men vond dat goedkoper en efficiënter.’ Bullens werkte niet alleen in Rotterdam met deze incestplegers, maar hij behandelde ook dadergroepen in Leiden.

In 1994 verscheen er in VN een reportage: ‘Spreken als straf’, over Bullens’ groepstherapie met incestplegers. De verslaggeefster woonde verschillende wekelijkse bijeenkomsten bij. ‘Plegers van seksueel geweld moeten niet als gestoord worden benaderd, ook al zijn sommigen dat wel,’ is het uitgangspunt voor die bijeenkomsten. Een enkeling is er vrijwillig, de meesten gedwongen. Volgens Bullens moeten hun cliënten leren analyseren wat de gevoelens zijn die voorafgaan aan hun seksueel misbruik. Ze moeten leren verantwoordelijkheid te nemen voor hun gedrag. Het voordeel van therapie in groepsvorm is dat de pleger van seksueel geweld van de anderen dingen hoort waar hij het liefst zelf over wil zwijgen. Bullens: ‘Je maakt ze verantwoordelijk voor hun medeplegers. Er zijn sessies waarop ik als therapeut haast achterover kan leunen. Dan zijn zij voor mij aan het werk.’ Sommige daders ervaren het als een zware straf, anderen zijn er blij mee: ‘Anders zullen ze me moeten opsluiten tot het einde der tijden.’ De therapeut is zeker van zijn zaak en van het resultaat: ‘Het sijpelt wel door.’

Twee jaar later legde Bullens in het AD nog eens zijn beweegredenen uit. ‘Ik heb ooit besloten dat ik kinderen wil beschermen. Daarom behandel ik daders. De kans op herhaling is enorm bij zedenmisdrijven.’ Volgens Bullens recidiveert na behandeling nog maar tien procent, tegen tussen de veertig en tachtig procent na het uitzitten van een gevangenisstraf. Psycholoog Kouratovsky kent geen harde cijfers over het succes van die groepsbehandeling. ‘Daar is bij mijn weten nooit onderzoek naar gedaan.’

‘Het gebrek aan toetsbaarheid is een weeffout in de gedragswetenschappen als geheel,’ zegt rechtspsycholoog Rassin. Er worden volgens hem veel therapieën gegeven waarvan de behandelaars niet weten of ze iets opleveren. ‘Maar zeker als je werkt met mensen die gevaarlijke neigingen moeten onderdrukken, en je hebt zoals Bullens de pretentie de recidive te kunnen verminderen, dan moet je zeker weten dat je iets effectiefs aanbiedt. Bij twijfel: niet doen.’

Ruud Bullens blijft er desondanks van overtuigd dat zijn ondersteuning van het Openbaar Ministerie als getuige-deskundige en zijn dadertherapie meehelpen aan het volbrengen van zijn missie: het oplossen en voorkomen van incest en ander kindermisbruik. Hij vertelt bij wijze van metafoor voor zijn gedrevenheid graag een verhaal dat hij ooit hoorde, over wandelaars langs een rivier, die steeds verdronken kinderen voorbij zien drijven. ‘Ze halen de kinderen uit het water en huilen. Pas na lange tijd gaat een van hen op zoek naar de oorzaak. Kilometers stroomopwaarts komt hij een man tegen die steeds een kind in het water gooit. Die man moet gestopt worden, omwille van de kinderen.’

Het is de tragiek van Ruud Bullens, een man met een indrukwekkende en baanbrekende carrière, dat die metafoor door zijn eigen rol in het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord inmiddels een pijnlijke nieuwe lading heeft gekregen.

Bullens en de Schiedammer parkmoord

Bij de parkmoord in Schiedam werd de tienjarige Nienke om het leven gebracht. De dader had haar samen met de elfjarige Maikel de bosjes in getrokken, bracht haar met messteken om het leven en probeerde Maikel te wurgen. Doordat de jongen zich dood hield, slaagde hij erin te overleven. In het voorjaar van 2001 werd Kees B. hiervoor veroordeeld tot achttien jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. Zijn bekentenis trok hij later weer in. In zijn evaluatierapport van de zaak stelde advocaat-generaal Frits Posthumus vast dat er grote missers waren gemaakt, onder anderen door hoogleraar kinder- en jeugdpsychologie Ruud Bullens. Die was aangezocht om te adviseren over de wijze van verhoor en moest tegelijkertijd de belangen van Maikel bewaken. Hij was aanwezig bij een aantal urenlange studioverhoren. Minder dan een maand na de moord in het park kreeg Maikel van zijn politieverhoorders het verwijt dat hij niets had gedaan om Nienke te helpen. Een van de ondervragers speelde met Maikel diens wurging na. Ruud Bullens zat achter een one way screen en keek toe. Hij greep niet in bij dit ‘hardste verhoor dat hij ooit had meegemaakt’ omdat Maikel volgens hem sterk genoeg was om het verhoor te ondergaan en dat bovendien zelf wilde. Ook was er inmiddels de absurde verdenking ontstaan dat Maikel, die naakt uit de bosjes te voorschijn was gekomen met acht messteken, de veter waarmee hij gewurgd had moeten worden nog om zijn nek, mogelijk voor hemzelf belastende feiten achterhield.

Ruud Bullens

Prof.dr. R.A.R. Bullens (Eindhoven, 1951) studeerde in de jaren zeventig orthopedagogiek in Leiden. Hij promoveerde in 1987 met het proefschrift Beroepskeuze in LBO-IBO; over de ontwikkeling van een beroepeninteressetest. Vanaf 1986 werkte hij bij het RIAGG in Rotterdam en had daarnaast de leiding over zijn eigen Ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg (ABJ) in Leiden, dat in de jaren negentig dependances kreeg in Den Bosch en in Amsterdam. Tegenwoordig is hij bijzonder hoogleraar forensische kinder- en jeugdpsychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarnaast is hij directeur van het bureau voor forensische diagnostiek Fora, dat vijf vestigingen heeft in Nederland, senior consultant bij De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie, en heeft hij een eigen praktijk in Amsterdam: het Diagnostisch Expertise Centrum, gespecialiseerd in forensisch diagnostisch onderzoek voor Justitie. Bullens is verder lid van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), de Lan­de­lijke Expertisegroep Bijzon­de­re Zedenzaken (LEBZ) en de Erkenningscommissie Strafrechtelijke Interventies.

Voor dit artikel is naast interviews en diverse vonnissen en arresten gebruik gemaakt van Vrij Nederland, NRC Handelsblad, de Volkskrant, Trouw, Het Parool, VPRO, De Psycholoog en het Nederlands Juristenblad. Verder onder meer van: Paul ten Have, Feiten en fouten: de Bolderkar-affaire als inter-professionele methodenstrijd; P.J. van Koppen, De Schiedammer Parkmoord; Het Rapport van de Commissie-Posthumus; R.A.R. Bullens (red.), Getuigedeskundigen in zedenzaken: de positie van de gedragswetenschapper bij strafzaken rond mogelijk seksueel misbruik van kinderen; ‘Getuige-deskundigen’ in: H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, Dubieuze Zaken
Over Mischa Cohen

Mischa Cohen (1957) werkt sinds 1988 bij Vrij Nederland, daarvoor enige tijd als freelancer. Hij was achtereenvolgens eindredacteur van de kleurenbijlage, chef Kunst en Cultuur, chef eindredactie en is nu schrijvend redacteur. Hij studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam.

Mischa Cohen (1957) werkt sinds 1988 bij Vrij Nederland, daarvoor enige tijd als freelancer. Hij was achtereenvolgens eindredacteur van de kleurenbijlage, chef Kunst en Cultuur, chef eindredactie en is nu schrijvend redacteur. Hij studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam.
Over Marian Husken

Marian Husken (1948) heeft meerdere misdaad- en justitieboeken op haar naam staan, waaronder De criminele carrière van Mink K en het nog altijd actuele standaardwerk over de criminele infiltrant: Deals met justitie.

Harry Lensink / Marian Husken
Willem de Glazenwasser…

Harry Lensink
Nieuwe verdachte in de…
Reportage
Harry Lensink
Trainer van de bovenwereld…

Harry Lensink / Marian Husken
De wankele waarheid van…
Recensie
Harry Lensink
Het probleem met Marokkaanse…

Neem nu een
abonnement
Jaar
Half jaar
Kwartaal
Proef
Papier en digitaal
€ 205
€ 108
€ 58
€ 15
Alleen digitaal
€ 120
€ 65
€ 35
€ 8

Webshop Weekblad Adverteren Service

Vrij Nederland Happinez Runner’s World YogaOnline Psychologie Magazine Geef Een Blad Mooie Tijdschriften

Advertenties
%d bloggers liken dit: