Home

Van arcive.org: https://web.archive.org/web/20160313053550/http://coenverbraak.nl/traa.html

In dit verhaal viel de volgende zin mij bijzonder op:

Desondanks gaat De Graaf er niet vanuit dat er sprake zou kunnen zijn van een aanslag. ‘Als je iemand wilt liquideren, ligt een kogel toch meer voor de hand.’ Tenzij de dader er belang bij zou hebben dat de zaak nooit zou uitkomen.

Lees deze zin langzaam en aandachtig, volg het argument

MAARTEN VAN TRAA; EEN DANSER EN EEN TOBBER

Oktober 2002


Op dinsdagavond 21 oktober 1997 ging rond half tien ’s avonds bij Andrée van Es de telefoon. Het was een journalist van De Telegraaf. Of Maarten van Traa misschien thuis was. Nee, die was drie kwartier geleden naar een partijbijeenkomst in Haarlem vertrokken, antwoordde Van Es. De stem aan de andere kant haperde even, stamelde: ‘eh… goed… dankuwel’. Toen werd opgehangen. Van Es vond het eigenlijk nog wel vreemd dat de beller niet informeerde wanneer Van Traa dan wél bereikbaar zou zijn, maar ze stond er verder niet bij stil. De Telegraaf wist ondertussen genoeg. De melding van de fotograaf bij het autowrak op de A 4 klópte dus. Die automobilist die omstreeks tien over negen bij een wegafzetting vlakbij het Nissangebouw met een noodgang op zijn voorganger was geklapt was PvdA-politicus Maarten van Traa. Terwijl het Binnenhof begon te gonzen van de geruchten, premier Wim Kok –op staatsbezoek in Noorwegen- onmiddellijk werd gebeld in Oslo en hoofdcommissaris Nordholt halsoverkop uit Carré werd geplukt, zat Andrée van Es gewoon thuis. Nietsvermoedend. Hemelsbreed amper een kilometer van de onheilsplek. Pas om elf uur ’s avonds hoorde ze van de politie dat haar man een ongeluk had gehad en op weg naar het ziekenhuis was overleden.

Maarten van Traa werd maar tweeënvijftig. Niet alleen politiek Den Haag was diep geschokt door zijn plotselinge dood. Als voorzitter van de Commissie Van Traa had hij tijdens de Enquête Opsporingsmethoden door zijn vasthoudende manier van ondervragen veel indruk gemaakt op televisiekijkend Nederland. Maarten van Traa, dat was die terriër met die woeste krullenbol, die zodra-ie z’n tanden ook maar in een jaspand van de ondervraagde had gezet niet meer losliet. ‘Geeft u nou ‘ns antwoord: wie runde nou wié? De politie de informant of andersom?’.‘Bij heel veel Nederlanders was Maarten van Traa na de enquête opeens geliefd, zonder dat ze precies onder woorden konden brengen waaróm’, omschrijft Wim Kok dat vijf jaar na dato. ‘Daarom was het hele land zo geschokt door zijn dood.’

Terwijl hij op het eerste gezicht geen man was om direct van te houden. Maarten van Traa was niet bepaald “moeders straalkachel”. Hij maakte eerder een norse, narrige indruk. VVD-er Benk Korthals, jeugdvriend van Van Traa, pestte hem daar regelmatig mee. ‘Dan zei ik: Maarten, je moet weer ‘ns op televisie komen. Dan krijgen wij er tenminste weer twee zetels bij.’ Van Traa was bovendien een driftkop, die in debatten en interviews z’n woede vaak maar nauwelijks kon verbergen. Na het debat over de afschaffing van het hoger beroep voor vreemdelingen, in september 1993, smeet hij uit pure frustratie z’n attachékoffer door het raam van zijn werkkamer. Maar ondanks al z’n hoekigheid stond voor vriend en vijand één ding onomstotelijk vast: Maarten van Traa déugde. Een sociaal-democraat in de traditie van Joop den Uyl. Een echte humanist bovendien, volgens Jan Pronk: ‘Hij geloofde niet zozeer in de goedheid van de mens, alswel in de waarde van mensen.’

Maarten van Traa werd op 18 mei 1945 bij gaslicht geboren in het Diaconessenhuis in Oegstgeest, als jongste in een gezin van twee kinderen. Zijn vader was hoogleraar economie, zijn moeder journaliste (in de oorlog werkte ze voor het illegale Parool, later onder meer voor de Manchester Guardian). Van de Partij van de Arbeid moesten ze weinig hebben. Piet en Jet van Traa stemden PSP. ‘De PvdA was volgens mijn ouders toch te burgerlijk’, zei Van Traa in 1993 in Het Parool. ‘Vakbondsmensen in blokjespakken, met een massief eiken dressoir. Dat waren niet echt ons soort mensen.’ Het was een welvarend links-intellectueel Leids milieu, waar kunstenaars en wetenschappers kind aan huis waren. Olga van Traa, de zeven jaar oudere zus van Maarten, herinnert het zich nog haarscherp. ‘Ik was al in de twintig toen het pas tot mij doordrong dat niet iederéén hoogleraar of bekend schrijver was.’ Van Traa was een bedeesd jongetje. Goed op school, maar behept met een opvallend slechte motoriek. Van sport moest hij helemaal niets hebben. ‘Hij was acht jaar toen m’n moeder schaatsen voor ‘m kocht. “Jongen”, zei ze, “je moét het leren”. Toen heeft-ie uren lopen ploeteren op slootjes in de buurt, ’s morgens vroeg zodat niemand ‘m zag. Na een paar dagen ging-ie naar m’n moeder: “zo, nu kan ik het” en leverde de schaatsen weer keurig in.’

Jet van Traa was weinig thuis. Haar kinderen groeiden op onder de hoede van “juffrouwen”. Olga van Traa typeert haar broertje als een eenzaam, vroegwijs kind, levend in z’n eigen binnenwereld. Vanaf z’n zesde jaar was hij in de ban van treinen. ‘Hij schreef als jochie complete spoorboekjes over. Kijk’, zegt ze, terwijl ze een vergeeld tekenblaadje op tafel legt. ‘Dit heeft-ie gemaakt toen-ie een jaar of zeven was.’Het is een potloodtekening van het treinennet in Nederland, keurig onderverdeeld in “enkelspoor” en “dubbelspoor”. ‘Dat was voor hem toch een vorm van wegvluchten, in een gebied dat van hem was.’ Want thuis was het niet altijd even plezierig. Hun ouders hadden vaak onenigheid. Een enkele keer hoorde Maarten zijn vader vloeken in de badkamer. Hij kon toen nog niet weten dat dat te maken had met wat Olga van Traa ‘het Grote Geheim’ noemt. Maar daar zou Van Traa pas vele jaren later achterkomen.
Op de middelbare school bleek hoe goed Van Traa kon leren; hij mocht na een jaar een klas overslaan. Benk Korthals, klasgenoot op het Stedelijk Gymnasium in Leiden, herinnert zich hem als een opvallende leerling. ‘Op onze eerste klassenavond deed Maarten een act over een spreker, die zogenaamd niet meer wist of-ie nou voor huisvrouwen of voor huisartsen moest optreden.’ Korthals grijnst breed bij de herinnering: ‘Dat was zó ongelofelijk geestig. Dat máákte echt dat hele feest. Hij had daar een geweldig talent voor. Ik weet nog dat er een grote fuif was op de Burcht in Leiden. Om ’n uur of twee ’s nachts ging iedereen weg. Ondertussen waren er buiten al marktkraampjes opgezet voor de volgende dag. Opeens was ik Maarten kwijt. Bleek-ie midden in de nacht de menigte toe te spreken, staande op zo’n kraam, als een soort volksmenner: “Ja mensen, en we gaan er tegenáán”. Iedereen stond te klappen en te juichen.’ Korthals ging in die tijd regelmatig met Van Traa mee naar huis. ‘Dan liet-ie z’n spoorboekjes zien. Hij had ook altijd platen van de modernste jazzmusici. In die tijd begon-ie zelf trombone te spelen. Hij kon er niet veel van, maar hij bracht het met een overtuiging alsof-ie Miles Davis zélf was.’
Op z’n zeventiende ging hij in Amsterdam rechten studeren. In een studentenhuis op de Reguliersgracht ontmoette hij de francaise Delphine de Pury, met wie hij later zou trouwen. In haar kielzog belandde hij in 1968 in Parijs, middenin de studentenrevolte. Van Traa werd al na enkele dagen gearresteerd, nadat de politie achterin zijn Deux Chevaux pamfletten had aangetroffen over een staking in de Renault-fabrieken. Hij zat drie dagen vast, en werd vervolgens Frankrijk uitgezet, wegens “inmenging in binnenlandse aangelegenheden”. ‘Ze spraken later nog heel vaak over mei ‘68’, zegt Van Traa ’s dochter Julie (29).’ Over hoe bijzonder die maanden waren. En altijd vertelde m’n moeder weer hoe m’n vader toen was opgepakt. Daar zat voor haar toch een soort heroïek in. Dat verhaal kon ik wel dromen.’ Van Traa zou voor het Parool verslag doen van de studentenopstand in Parijs. Het bleef bij drie artikelen. Vervolgens belandde hij bij het Algemeen Handelsblad en daarna via Joop van Tijn bij de VPRO-televisie. Daar viel Van Traa direct op, vooral door zijn verschijning. ‘Hij droeg een lange regenjas, rookte pijp en had vaak een Le Monde onder z’n arm’, kenschetst Ad ’s Gravesande z’n toenmalige collega. ‘Maarten was een verschíjnsel. Er liepen heel veel wonderlijke types bij de VPRO rond, maar een Van Traa hadden we nog niet. Bovendien sprak niemand bij de VPRO zo mooi frans als Maarten.’
Ze moesten wel behoorlijk aan hem wennen, zegt ’s Gravesande. ‘Hij was iemand die lengte, diepte en breedte nodig had. Maarten kostte tijd. Hij had bij redactievergaderingen de neiging tot ongelofelijk uitvoerig filosoferen. Dat was niet aan iedereen besteed.’

Qua interesse en intellectuele bagage leek Van Traa bij uitstek een man van de wereld, een kosmopoliet voor wie landsgrenzen slechts kleinburgerlijke piketpaaltjes waren. Die kosmopolitische inslag had tegelijk ernstige beperkingen, zegt Cherry Duyns, die met Van Traa Berichten uit de samenleving maakte. ‘Hij had de neiging om tot op onmogelijke momenten te blijven researchen. Dagen achtereen zat-ie in vier, vijf talen door die telefoonhoorn te praten. Opeens stond-ie dan voor me, met beslagen brillenglazen: “Oké Cherry, het is rond. Morgen kunnen we terecht in Chicago”. Geweldig Maarten, riep ik dan. Prima werk! Alleen wel jammer dat de uitzending al overmorgen is. Daar stond-ie totaal niet bij stil. Maarten had een wonderlijke nonchalance. Hij was altijd te laat, of z’n dingen waren te lang. Dan moest Jan Blokker (toenmalig eindredacteur) ingrijpen.’ Dat ging er soms hardhandig aan toe, herinnert Duyns zich. ‘Ik weet nog dat Blokker vlak voor de uitzending vroeg: “Maarten, hoe lang ben je?” Nou, eh… twaalf minuten. Terwijl-ie wist dat-ie maar zes minuten mocht maken. “Wel godverdómme”, riep Blokker dan, “ik draai je er gewoon uit”. Maarten fluisterde tegen mij: “doet-ie heus niet”.’ Daverend lachend: “Maar mooi dat ’t gebeurde! Na zes minuten draaide Jan hem vanuit de controlekamer van de zender. Maarten zat lijkbleek naast mij naar adem te happen.’

Van Traa was nou eenmaal geen groot journalistiek talent, analyseert Jan Blokker. ‘Hij had echt geen benul waar-ie moest beginnen of eindigen. Hij kwam regelmatig met ontzettend aardige ideeën. Alleen had-ie als programmamaker zes linkerhanden. Zo’n onhandige man heb ik echt nog nooit meegemaakt. Ik kan mij eigenlijk niet herinneren dat Maarten in die tijd ooit geheel eigenhandig een item heeft gemaakt. Ook als schrijvend journalist herinner ik mij eerlijk gezegd niet één belangwekkend artikel van ‘m. Hij was in die tijd correspondent voor Le Monde. Als er bij de weersverwachting achter Amsterdam weer ‘ns “geen opgave” stond, riep ik: “zie je wel, jij bent nog te besodemieterd om even de telefoon te pakken”.’ Desondanks praat Blokker met opvallende genegenheid over zijn vroegere pupil. ‘Logisch’, reageert hij. ‘Ik vond Maarten echt ongelofelijk aardig. Hij bracht een aangename eruditie met zich mee. Ik heb vaak tegen ‘m gezegd: jij moet eigenlijk burgemeester worden in een niet al te grote stad. Kun je ’s morgens op je gemakje een paar uurtjes besturen, en dan verder lekker de hele dag lezen en schaken.’

Van Traa stapte in 1976 van de VPRO over naar Panoramiek van de NOS. Maar ook daar was-ie meer een duider dan een maker, meent Panoramiek-collega Pieter de Vink. De Vink typeert de werkwijze van Van Traa als “de honderd rollen-show”. ‘Maarten beheerste de kunst van het schiften allerminst. Hij durfde bij een interview niet tegen zijn cameraman te zeggen: “stop nu maar”. Want stel je voor dat de geïnterviewde drie zinnen verderop opeens de wereldrevolutie zou uitroepen. Hij was voortdurend bang iets te missen. En dus miste hij alles, omdat-ie verzoop in z’n materiaal.’ In 1974 was Van Traa lid geworden van de Partij van de Arbeid. Waar in z’n VPRO-tijd nog weinig van z’n politieke voorkeur was gebleken, wond hij bij Panoramiek geen doekjes om z’n ambities. De Vink: ‘Hij vond de journalistiek te vrijblijvend. Maarten wilde niet naast het schilderij staan en roepen: “dat is helemaal niet goed”, hij wilde zélf schilderen.’

In 1979 stelde Van Traa zich kandidaat voor de functie van Internationaal Secretaris van de PvdA. Hoewel het de vraag is of hij dat op dat moment als een definitieve verandering van z’n toekomst beschouwde. De avond voor het partijcongres kwam hij eten bij Bart Tromp. ‘Maarten zei toen: “kijk ‘ns, ik haal het morgen.” Dat wist-ie, omdat er geen serieuze tegenkandidaten waren. “Dan doe ik het twee jaar, en misschien nóg ‘ns twee jaar. Op het moment dat ze denken: “hij gaat nu echt de politiek in”, lach ik ze allemaal uit. Dan ga ik heel andere dingen doen.”.’

Van Traa ging vanaf mei 1979 deel uitmaken van het partijbestuur, onder voorzitter Max van den Berg. De partij was volgens Van den Berg buitengewoon blij met z’n nieuwe secretaris. ‘Maarten combineerde iets heel aantrekkelijks. Hij wilde enerzijds de verbeelding aan de macht. In die zin was-ie een uitgesproken kind van Den Uyl. Daarnaast was-ie sceptisch, liberaal. Die VPRO-scepsis heeft-ie altijd gehouden. Dat konden we goed gebruiken.’ Van Traa was een internationalist pur sang, vindt Wim Kok. ‘Daar heb je er tegenwoordig steeds minder van. De wereld wordt almaar complexer, we worden gevraagd steeds internationaler te denken, terwijl we ons juist steeds meer opsluiten. Maarten was iemand die over de grenzen heendacht. Dat kwam ook door z’n achtergrond, Parijs, 1968. Maar hij was net zo goed geïnteresseerd in Duitsland. Hij verdiepte zich heel erg in vragen over “verzoening en vergeving”. Hoe lang moet je wie waarvoor verantwoordelijk houden?’

‘Iedereen over de hele wereld kénde hem ook echt’, zegt Benk Korthals. ‘Of het nou Pompidou was of de Amerikaanse president. Hoe-ie het klaarspeelde weet ik niet, maar ze wisten wie Maarten van Traa was. Niet omdat hij weer het zoveelste ettertje was die in zo’n zaal een slim vraagje probeerde te stellen, maar omdat-ie met vuur voor dingen opkwam.’ ‘Hij had een enorme zwierigheid’, kenschetst Felix Rottenberg. ‘Later –als kamerlid- raakte hij licht verzuurd. In die begintijd was hij nog niet de spreekstalmeester die hij later toch een beetje werd, maar juist heel autonoom en onbevangen. Ik ben een keer met ‘m meegeweest naar een bijeenkomst van Labour in Brighton. Het was echt indrukwekkend om te zien hoe hij daar door iedereen gerespecteerd werd.’ Maar het belang van de internationaal secretaris Maarten van Traa moet ook niet overschat worden, betoogt Bram Peper. Natuurlijk had hij alle benodigde bagage voor die functie. ‘Je hoefde je echt niet voor ‘m te schamen. Het was een leuke, gekke vent. Maar om nou te zeggen dat hij de contouren heeft geschetst voor een nieuw buitenlandbeleid van de PvdA… nee, dat lijkt mij onzin. Hij viel ook niet op door engagement of zo. Welnee, Maarten was een handige sodemieter, die heel goed keek hoe de hazen liepen. Hij voelde feilloos aan waar de macht zat. Ik heb hem niet op m’n netvlies als iemand die de PvdA op een koers zette.’

Bart Tromp is nog uitgesprokener in z’n oordeel: Van Traa leek bij z’n komst misschien een krachtimpuls voor de partij, maar in de praktijk viel dat nogal tegen. Tromp: ‘Hij werd echt iemand anders. Daar heb ik ‘m ook vaak mee gepest. Na zijn verkiezing tot buitenlandsecretaris heeft-ie nooit meer een fatsoenlijk stuk op papier gekregen. Het is echt opvallend hoe weinig er al die jaren uit z’n vingers is gekomen. Hij zou in 1980 een hoofdstuk schrijven voor het jaarboek voor het democratisch socialisme. Die afspraak was zo hard, dat z’n naam zelfs op de omslag werd aangekondigd. Dat hele stuk is er nooit gekomen. Van Traa ging de politiek in als intellectueel, maar daarna was het voorbij met de intellectueel Van Traa. Hij is gaan leven alsof zijn enige publiek de afdeling Groningen van de PvdA was. Daar oefende hij ook op.’ Met stemverheffing imiterend: “’Partíjgenoten…” Toen is ook die vreselijk uitdrukking ontstaan: “partijgenoten, het kán toch niet zo zijn…” Ik riep dan pesterig tegen Maarten: “het kán toch niet zo zijn… dat het ís zoals het ís.’

Als internationaal secretaris kreeg Van Traa nadrukkelijk te maken met het meest pregnante onderwerp van die dagen: het wel of niet plaatsen van kernwapens. Bij de grote demonstratie in 1981 in Amsterdam –met 400.000 mensen- stond Van Traa erbij toen PvdA-fractievoorzitter Wim Meijer tijdens zijn toespraak door de menigte werd weggefloten. Mient Jan Faber zág Van Traa op dat moment denken: dit overkomt ons geen tweede keer. Bij de demonstratie in 1983, in Den Haag, was de PvdA –inmiddels oppositiepartij- zeer actief betrokken. Van Traa had namens de PvdA plaatsgenomen in het Kommittee Kruisraketten Nee, samen met Mient Jan Faber en Sinie Strikwerda. ’Voor mij was Maarten onontbeerlijk’, blikt Faber terug. ‘Hij vertegenwoordigde een grote partij, en was er als intellectueel dag en nacht mee bezig. Die hersens vlogen heen en weer. Dat soort sparring partners heb je nodig. Je moet alle hoeken van de ring zien, en niet steeds alleen rondedansjes in het midden maken.’ Sommigen binnen de PvdA ergerden zich aan de uitgesproken stellingname van de partij. Er was sprake van een opgelegd standpunt, constateert Bram Peper. ‘Je moést tegen plaatsing zijn, anders was je niet links. Niet zuiver op de graat. Maarten speelde dat spel mee, waarschijnlijk omdat-ie niet buiten de boot wilde vallen. Pragmatisch en opportunistisch.’

‘Als ik heel eerlijk ben’, zegt Benk Korthals aarzelend, ‘ heb ik mij destijds vaak afgevraagd of Maarten werkelijk zo tegen plaatsing was. Dat heb ik ook tegen hem gezegd: Maarten, ben je nu niet opportunistisch bezig? Je bent te intelligent om dit standpunt in te nemen. Of moet het van je achterban? Hij ontkende dat fel. Maar ik kende Maarten goed genoeg om te kunnen vermoeden dat-ie diep in z’n hart iets anders vond, en er pas later in is gaan geloven.’
In het Kommittee Kruisraketten Nee voerde Van Traa heftige discussies met Mient Jan Faber. ‘Het interessante was dat Maarten vaak tegen mij zei: “jij probeert steeds mee te denken met de regering. Je komt met hún argumenten”. Dan zei ik: ja, maar die argumenten moet je toch kunnen wegen om tot een heldere discussie te komen? Eigenlijk was-ie daar veel extremer in dan ik.’

In 1986 kwam Van Traa in de Kamer. Als Kamerlid ontpopte hij zich met name als een groot tegenstander van het harde vreemdelingenbeleid van zijn partij, vanaf 1989 gepersonifieerd door Aad Kosto, staatssecretaris van Justitie. Kosto herinnert zich nog hoe dat meestal ging. ‘Dan zei m’n secretaresse: “Maarten van Traa aan de telefoon”. En ik dacht: oh hemel, daar is-ie weer. Want je kwam niet makkelijk van hem af. Hij belde meestal over een individueel geval. Hij was dan ehh … nogal confronterend, op een toon die je onwelwillend zou kunnen noemen. Maar het was ook fair. Als je gemotiveerd uiteen kon zetten waarom iets gewoon niet kon, dan nam-ie z’n verlies.’ Kosto werd wel vaker gebeld door Kamerleden. Dat waren toch meestal korte gesprekken. ‘Je voelde dan dat ze dachten: “ik kan in ieder geval straks tegen de betrokkene zeggen dat ik de staatssecretaris nog gebeld heb”. Zoniet Maarten. Die liet zich nooit met een kluitje in het riet sturen. Als hij iets de moeite waard vond, dan ging-ie er voor tweehonderd procent tegenaan.’ De hoge toon van Van Traa werd binnen de PvdA-fractie allengs minder op prijs gesteld. ‘Hij werd’, zegt Jan Pronk, ‘steeds meer gezien als iemand die maar dóórging. Eind jaren tachtig kreeg-ie nauwelijks nog steun in de fractie voor z’n vreemdelingenstandpunt. Daardoor kwam hij binnen de fractie in een geïsoleerde positie terecht. Ze vonden hem, met zijn “intellectueel activisme”, maar lastig.’

‘Ach, mensen die niet lastig zijn, deugen niet’, relativeert Wim Kok. ‘Maarten was nooit zomaar lastig, het was bij hem eerder te herleiden tot: zichzelf in de weg zitten. Maarten was iemand die nadacht, écht nadacht. Over de zin van het bestaan, over de betekenis van waarden in het leven. Hij had het heel moeilijk met zijn volksvertegenwoordigerschap, met compromissen die hij moest sluiten. Je bent in dit vak namelijk niet de hele dag bezig met het uiten van je geloofsbelijdenis, het gaat ook om resultaat. Je bent continu bezig met geven en nemen. Daar had hij veel moeite mee.’
‘Hij was niet praktisch, in de zin van streven naar haalbaar’, stelt Ella Kalsbeek, die in 1989 toetrad tot de PvdA-fractie. ‘Daardoor heeft hij soms mensen van zich vervreemd. Bij de debatten over Schengen en het Hoger Beroep Vreemdelingen zag je een soort geharnastheid ontstaan, die eigenlijk geen gesprek meer mogelijk maakte. En toch pikte je het, omdat het Máárten was. Als een ander dat had gedaan, had je gedacht: “jezus, wat een sukkel”. Van Maarten wist je zeker dat-ie door en door deugde.’

‘Ik vond het weleens jammer’, vertelt Benk Korthals, ‘dat ik zo weinig hoorde dat mensen Maarten áárdig vonden. Natuurlijk, hij was apart. Een vreemde snoeshaan, die altijd een beetje langs je heen keek. Maar als je ‘m beter kende, merkte je wat een ongelofelijk aardige, bijzondere vent hij was. Als-ie met een delegatie op stap was, en hij kréég er zin in, dan was het dik lachen. Dan kwam die trombone tevoorschijn, of begon-ie zomaar uit volle borst te zingen.’ Van Traa was vermaard om z’n hilarische imitaties. ‘Hij kon geweldig geestig uit de hoek komen’, zegt Bart Tromp. ‘Als hij Joop den Uyl of Willy Brandt imiteerde dan lag je echt op de grond van het lachen. Ik heb het ook meegemaakt bij internationale conferenties. Zodra Maarten Breznjev deed, was het ijs direct gebroken. Hij kon perfect sfeer maken.’

Van Traa was graag de gangmaker, weet z’n dochter Julie. Ook op feestjes. ‘Dan was ik trots op ‘m, maar schaamde me ook.’ Hoe druk haar vader ook was met z’n werk, hij had altijd tijd voor haar, zegt ze. ‘Tot m’n achttiende heeft-ie elke ochtend m’n brood gesmeerd. Hij haalde me als klein meisje ook vaak van school, totdat ik het zelf genant begon te vinden. Natuurlijk was-ie ook vaak weg, maar als-ie terugkwam had-ie altijd iets voor me meegenomen. En hij kwam terug met spannende verhalen, over spionnen. Die stonden dan ’s nachts in mijn dromen op de Lijnbaansgracht. Mijn vader was thuis nooit knorrig, maar juist heel vrolijk, iemand die altijd zin had om er een leuke dag van te maken.’

Natuurlijk had Maarten van Traa z’n tobberige kanten, zegt Andrée van Es, die in 1990 een relatie met Van Traa kreeg. ‘Maarten was een tobber én een danser. Hij kon enorm piekeren over dingen in de PvdA die hem dwarszaten. Tegelijk kon-ie thuis heerlijk zorgeloos zijn. “Ach schát, waar máák je je druk over.” Hij kon heel erg genieten van kleine dingen. Lekker in bed liggen lezen in een vuistdik spoorboekje van de Italiaanse spoorwegen. Dan kreeg-ie een enorm tevreden krulneus. Ik was echt stomverbaasd als ik hoorde dat-ie in de Kamer zo knorrig werd gevonden. “Nou, Maarten is vanmorgen zeker met z’n verkeerde been uit bed gestapt?” Welnee, zei ik, hij is fluitend weggegaan. Ik denk dat het kwam omdat-ie zo geconcentreerd was op z’n werk. En omdat hij echt leed onder wat er in die PvdA allemaal gebeurde.’

In 1988 stierf Piet van Traa, de vader van Maarten. Zijn zoon was geschokt, uiteraard. Maar de schok zou nog veel groter worden, toen een familielid vlak daarna z’n mond voorbijsprak, en Het Geheim onthulde: ‘nou ja, het was toch je echte vader niet.’ Na drieënveertig jaar (!) hoorde hij dat niet Piet van Traa zijn vader was, maar journalist Sybout Colenbrander. Met hem had Jet van Traa enkele jaren een buitenechtelijke verhouding. Van Traa’s oudere zus Olga heeft het altijd geweten, zegt ze. ‘Ik hoor het m’n vader nog roepen: “we hebben een zoon”. Ik dacht nog: “we”? Eigenlijk heel bewonderenswaardig van hem, want ook mijn vader wist het natuurlijk. Sybout Colenbrander heb ik bij ons thuis eindeloos vaak gezien. Hij was er vaker dan m’n vader. En God strafte onmiddellijk: Maarten ging sprekend op die Colenbrander lijken. Precies zo’n krullenkop!’ Ze mocht er nooit over spreken, met niemand. En al helemaal niet met Maarten. ‘Niet dat mijn moeder zich ervoor schaamde. Het enige dat telde was: deze jongen moet ongeschonden groot kunnen worden.’ Sybout Colenbrander werd later correspondent in Londen, voor het Algemeen Handelsblad. Door een bizarre speling van het lot werden zijn stukken rond 1970 regelmatig geredigeerd door zijn eigen zoon. ‘Maarten belde hem vaak op’, vertelt Andrée van Es, ‘om hem ernstig toe te spreken. Hij vond dat Colenbrander onleesbare stukken schreef.’ Colenbrander voelde zich allerminst gegriefd door die kritiek. Olga van Traa: ‘Hij heeft een paar brieven aan mijn moeder geschreven over Maarten. Zo van: “wat is het toch een leuke, scherpzinnige jongen geworden”.’

De ontdekking zette Van Traa’s leven op z’n kop. Hij besloot Sybout Colenbrander te schrijven. Daarop volgde een uitgebreide correspondentie, uitmondend in een bezoek aan Londen. ‘Dat was een ongelofelijke en emotionele ontmoeting’, zegt Olga van Traa. ‘Maarten kwam zichzélf tegen. Hij zag bij Colenbrander alle boeken in de kast staan die hij zelf ook had. Alle puzzelstukken vielen op hun plaats.’ Toen Sybout Colenbrander twee jaar later stierf, meldde zich bij de begrafenis opeens ook Maarten van Traa, tot ontsteltenis van sommige aanwezigen. Olga van Traa: ‘Die dachten: hè, hij zal er toch niet achter zijn gekomen? “Wat kom je doen, Maarten?”, vroegen ze. En toen heeft Maarten uit volle borst over dat kerkhof geroepen: “ik kom m’n váder begraven”. Dat betékende iets voor hem.’

Toen in 1994 het eerste Paarse kabinet werd geformeerd, hoopte Van Traa in stilte op een plek in het kabinet. Wie was er nou meer gekwalificeerd voor een Staatssecretariaat voor Europese Zaken of mogelijk zelfs een Ministerschap van Buitenlandse Zaken dan hij? Maar hij kwam niet in aanmerking, net als in 1989. Hij was volgens Jan Pronk zó teleurgesteld, ‘dat hij serieus heeft overwogen om uit de politiek te stappen’. Toch was 1994 ook het jaar dat de opmaat vormde voor zijn finest hour als politicus. In de zomer van dat jaar begon hij aan het vooronderzoek voor de IRT-enquête. Eigenlijk was de PvdA helemaal niet aan de beurt om een Parlementaire Enquête te leiden. Maar de Kamer achtte Van Traa er de aangewezen man voor. Terwijl hij zelf aanvankelijk uitermate ontevreden was over het feit dat hij in die commissie werd omringd door relatief onervaren leden als Elisabeth Aiking, Mohammed Rabbae en Thom de Graaf. Dat kon vice-voorzitter De Graaf duidelijk aan hem merken. ‘Ik weet zeker dat-ie heeft gedacht: is dit misschien een bewuste poging om de enquête te laten mislukken?’ Van Traa kon zeer autoritair zijn, merkte De Graaf. ‘Hij was een mengeling van ontwapenende charme en grote zelfingenomenheid. Ik heb kolossale ruzies met hem gehad, waarbij letterlijk met deuren werd gesmeten. Ik verweet hem vaak dat hij totaal niet luisterde naar andere commissieleden. Die kwamen dan weer bij mij klagen. Ik werd een beetje een intermediair tussen de commissie en de voorzitter. Tegelijkertijd waren we allemaal toch ontvankelijk voor z’n onverwachte charme en zijn inhoudelijke kracht.’

Bij Van Traa hoefde je in elk geval nooit te raden naar zijn emoties. De Graaf: ‘Als hij humeurig was, dan was er geen land met hem te bezeilen. Dat kon je ook merken in de verhoren.’ Hij heeft de kaartjes die ze elkaar tijdens de verhoren schreven zorgvuldig bewaard. “Nu ophouden over dit onderwerp!”. “Zeg, ik dacht dat dit mijn verhoor was.”’
Van Traa was de drijvende kracht achter de commissie, erkent Thom de Graaf. ‘Alles hing aan hem.’ Dat leidde soms tot ergernis. Op woensdag 27 september 1995 noteerde De Graaf in zijn dagboek: “Veel gehakketak in de commissie over prestige, imago, beeldvorming en in-beeld-komen. Ik lever een bijdrage door te zeggen dat Maarten moet afleren om voor de camera steeds in de ik-vorm te spreken. Mooiste voorbeeld RTL4 maandag jl: “Ik heb met de minister afspraken gemaakt in de persoon van de heer De Graaf”….” En toch schreef De Graaf op woensdag 31 januari 1996, de dag voor de presentatie. “Ik laat de slechte verhoudingen van de laatste weken maar voor wat ze zijn. Maarten is net een oudere broer: ik heb een pesthekel aan hem, maar zou hem niet willen missen.’

Het eindrapport van de Commissie Van Traa werd met instemming en zelfs bewondering ontvangen. Van Traa cs. hadden met succes een titanenklus geklaard door de crisis in het opsporingsapparaat haarscherp in kaart te brengen. Thom de Graaf kan zich nog goed heugen dat-ie kort na de Enquête tijdens een wandeling met Van Traa over het Binnenhof Jan Pronk tegenkwam. ‘Pronk keurde mij geen blik waardig en zei: “goh Maarten, ik vind het echt een prestatie van formaat. Vooral omdat je het helemaal in je eentje hebt moeten doen”.Gewoon waar ik bij stond! Toen we verderliepen zei Maarten grijnzend: “sorry Thom, zo zijn soms de manieren binnen de sociaal-democratie”.’

De politieke afhandeling van de enquête verliep voor Van Traa uiterst teleurstellend. Als enige van zijn fractie steunde hij een CDA-motie, waarin stond dat de hoofdrolspelers ontslagen moesten worden. Andrée van Es: ‘Hij vond dat als je duidelijk wilt maken dat er dingen misgegaan zijn, je dus ook mensen moet wegsturen. Maar opeens bleek hij daar alleen in te staan. Dat was voor hem echt een heel bittere pil‘ ‘Dit is niet de aanpak waar de commissie op gehoopt had’, zei Van Traa zelf. ‘Deze aanpak herstelt niet het vertrouwen in politie en justitie.’

Na de enquête viel Van Traa in een diep gat. De terugkeer naar het alledaagse Kamerwerk viel hem zwaar. Felix Rottenberg: ‘Je moet daar ongelofelijk veel veerkracht voor hebben. Zo aardig zijn je fractiegenoten dan echt niet, hoor.’ Met een pesterig stemmetje: ‘”Zóóó jongen, bén je er weer?” En natuurlijk geen enkel schouderklopje. Na de enquête heb ik Maarten een kaartje gestuurd om hem te complimenteren. Ik kreeg een kaartje terug: “Dankjewel! Je bent de enige uit PvdA-kring die iets heeft laten horen”.’ Maar door de Enquête was Van Traa absoluut een factor in de politiek geworden, stelt Rottenberg. ‘Daarvóór werd-ie binnen de PvdA als te chaotisch, te groenlinkserig gezien. Met de erkenning van de buitenwacht groeide de waardering binnen de partij.’ Van Traa had graag nóg ‘ns een enquete geleid, zei hij een half jaar voor z’n dood in een radiointerview. Al zou dat natuurlijk nooit een parlementair onderzoek naar “Srebrenica” kunnen zijn, tekende hij daarbij aan. Want juist hij had in mei 1993 samen met CDA-kamerlid Van Vlijmen een motie ingediend om de luchtmobiele brigade van de landmacht naar Bosnië te sturen. Toen stond overigens nog niet vast dat Nederlandse troepen ook Srebrenica zouden moeten gaan verdedigen. ‘Maar ik ben er helaas te direct bij betrokken geweest om er onderzoek naar te kunnen doen.’

Wim Kok: ‘De IRT-enquête bracht in elk geval glashelder aan het licht dat hij zich heel scherp en precies kon uitdrukken. Ja, in zekere zin was dat een verrassing voor me. Na de IRT-enquête was hij zeker toe aan een klus waar-ie helemaal opnieuw aan kon beginnen.’ Zou de volgende stap dan toch een plaats in het tweede Paarse kabinet geweest zijn? Wim Kok: ‘De fractie gaat over de voordracht. Maar hij figureerde zeker op bepaalde lijstjes. Van Traa ontsnapte niet aan mijn aandacht. Het was zeker niet uitgesloten dat-ie bewindspersoon was geworden.’
‘Kort voor z’n dood heb ik hem nog gesproken’, zegt Benk Korthals. ‘Ik vroeg: wat ga je nou doen? Toen zei hij: “ik denk dat ik het volgende kabinet in ga”. Maarten was bepaald geen pocher, dus ik ben ervan overtuigd dat-ie daarvoor gevraagd is.’

Het zou er nooit van komen, door onoplettendheid en die fatale wegversmalling op de A4 op die 21e oktober 1997. Van Traa reed met hoge snelheid op z’n voorganger in. De remweg bedroeg slechts vijf meter. ‘Een week daarvoor hadden Maarten en ik een oom begraven’, vertelt Olga van Traa. ‘Na afloop hebben we het uitgebreid over “doodgaan” en “begrafenissen” gehad. “Ik wil in elk geval niet van die lange klotemuziek”, riep Maarten. “En ik wil in het graf van vader en moeder begraven worden.” Ik zei nog; hou alsjeblieft op! Ik ga veel eerder dood dan jij. Een week later was het zover.’

Kort nadien kwamen de geruchten: Van Traa zou niet zomaar verongelukt zijn; hij zou zijn vermoord. ‘Maarten wist teveel’, zeggen sommigen. In elk geval was het een feit dat Van Traa tot lang na de Enquête intensief bezig bleef met het voeren van gesprekken, met getuigen en informanten. Thom de Graaf: ‘Hij kon niet accepteren dat we niet op alle vragen antwoord hadden kunnen geven. Dat werd een obsessie voor hem. Hij bleef maar doorrechercheren. Een dag voor z’n dood heb ik er nog met ‘m over gesproken. Ik zei: vind je dit nou wel verstandig? Realiseer je je dat je geen enquête-voorzitter meer bent, maar weer gewoon “Maarten van Traa”.’ Desondanks gaat De Graaf er niet vanuit dat er sprake zou kunnen zijn van een aanslag. ‘Als je iemand wilt liquideren, ligt een kogel toch meer voor de hand.’ Tenzij de dader er belang bij zou hebben dat de zaak nooit zou uitkomen. Van Traa was, zeggen mensen die hem kennen, het laatste half jaar regelmatig bang dat er iets met ‘m zou gebeuren. ‘Hij was bang dat de onderwereld in de bovenwereld zou zijn doorgedrongen’, zegt Ella Kalsbeek. De Commissie Kalsbeek stuitte bij haar onderzoek in elk geval op dermate verontrustende verhalen –‘zowel uit de onder- als de bovenwereld’- dat de leden een gesprek aanvroegen met de ministers Peper van Binnenlandse Zaken en Korthals van Justitie. Dat onderhoud vond plaats op 26 maart 1999. Kalsbeek: ‘We hadden verhalen gehoord dat Maarten zou zijn “omgelegd”. We werden bijvoorbeeld gebeld door een gevangenispredikant die zei: “weet u wel dat hier het verhaal gaat dat Van Traa is vermoord?”.’ Het gesprek staat Benk Korthals nog scherp voor ogen. Al wil-ie er niet te veel over kwijt. ‘Er was –zeg ik heel eerlijk- genoeg aanleiding om te vermoeden dat er meer achter zat.’ Korthals gelastte vervolgens een hernieuwd onderzoek. ‘Daarbij is alles opnieuw grondig nagelopen. Ik heb zelf het hele politierapport gespeld. De enige conclusie is: het is gewoon een ongeluk geweest. Daar ben ik van overtuigd.’ Dan, opeens met opmerkelijke nadruk: ‘Realiseer u goed dat Maarten één van mijn allerbeste vrienden was. Ik zou niet rusten als ik ook maar een half procentje twijfel voelde.’

Inmiddels is Maarten van Traa vijf jaar dood. Maar bij alle gesprekspartners blijkt hoezeer hij nog aanwezig is. ‘Als je ouder wordt, gaat je huis uit meerdere kamers bestaan’, mijmert Max van den Berg.’Toen Maarten stierf raakte ik een hele verdieping kwijt. Tegelijk is-ie deel van mijn denken gebleven De herinnering aan Maarten is ook een soort steun. In die zin raak je hem nooit echt kwijt.’ Van Traa zou ‘in deze tijd van “grenzen dicht”’in elk geval een wezenlijke bijdrage hebben kunnen leveren, denkt Wim Kok. ‘Veel verdergaand dan: “hoe houden we de deur zo goed mogelijk gesloten?”. In die zin heeft-ie een groot gat achtergelaten. Er zijn echt wel meer internationalisten, maar Maarten van Traa was wel heel authentiek. Er was niets gemaakt aan hem. Hij was zoals hij was, met al zijn hoekige, knorrige, morsige kanten. Daar zijn er in Den Haag steeds minder van.’

© Coen Verbraak, 2002

Advertenties
%d bloggers liken dit: