Home

Dit is een columnachtig stukje dat ik in 2001 schreef naar aanleiding van de publicatie van mijn kijk op de misstanden bij de Rechterlijke Macht in het Katholiek Nieuwsblad. Over een aantal mensen die ik in dit stuk tot het integere deel van de mensheid reken denk ik mogelijk inmiddels anders.

Soms vraag ik me wel af of ik meer mededogen moet hebben met rechters en kinderbeschermers. Is het niet een beetje teveel gevraagd om ze ook de zware last van verantwoordelijkheid voor hun eigen optreden in de schoenen te schuiven?

Soms vraag ik me af of het wel zo slim is mezelf zo zwaar te belasten met het kiezen voor een principieel standpunt en me daarmee gramschap van anderen op de schouders te laden.

Ik heb me dikwijls afgevraagd of het anders kan, of het anders mag. Ik ben herhaaldelijk tot de conclusie gekomen dat dat niet kan. Sommigen beweren dat ik daarmee een soort historisch ongelijk van het fundamentalisme bewandel. Denk aan de fundi’s in Duitsland, denk aan het recente terroristische optreden van iets wat men moslimfundamentalisten noemt.

Ik zou mezelf nooit fundamentalist noemen. Althans zeker niet fundamentalistisch in het stellen van ideeën tegenover andere ideeën. Wel ben ik erg rechtlijnig naar evident onrecht en flauwekul en zeker naar mensen die kinderen versjacheren alsof het handelswaar is of erger.

Ik meen bovendien dat het al duidelijk gebleken is dat halve concessies naar mensen die wel aanrotzooien met de belangen van ouders en kinderen meer ellende veroorzaakt. In een artikel van Peter Prinsen, “De rechtstaat van Robin Hood” staat dat als volgt uitgelegd. De ouderbeweging accepteerde op een gegeven ogenblik de contra-expertise als groot winstpunt maar is het terecht dat er eerst dubbel onderzoek moet worden gedaan naar de vraag of er misdaden begaan mogen worden. Meer expertise leidt al gauw tot meer praatjes over iets wat niet ter discussie zou moeten mogen staan ( zie ook de mythevorming over het Elsholzvonnis).

Omgangsrecht met uitzonderingen leidt tot een dusdanige puinhoop dat je maar beter niets kunt hebben lijkt het soms.

Elke keer wordt er maar weer braaf gepraat met degenen die dit aanrichten. Nog niet zo erg overigens, ware het niet dat het bewustzijn met de beul te praten verloren gaat. Van de “Negerhut van oom Tom” tot onze bloedeigen bezetters is dat een bekend fenomeen. Er wordt niet gepraat vanuit het oogpunt van slacht­offerhulp ( ik zal het nooit meer doen, sorry maar misschien begrijpen jullie dat we het ook moeilijk hadden… Er wordt gepraat met mensen die machtiger zijn en waarvan we een gunst vragen. En die gunst is in feite of ze willen stoppen ons te vernede­ren…….. We identificeren ons met onze gijzelaars (stockholmsyndroom) net zoals onze kinderen zich identificeren met programmerende moeders (PAS). Alle ge­sprekspartners in zo’n gesprek hebben er een zeker belang zijn om op het eind van dat gepraat te kunnen vertellen dat er zich iets leuks ontwikkeld heeft ook als er eigenlijk maar marginale verschuivingen plaats­vonden. En zo worden we elke keer weer ingepakt. Als je de verslagen leest uit de zeventiger en tacht­iger jaren van ouderorganisaties in over­leg met kinderbeschermers, is het moei­lijk enig verschil te bemerken met de huidige gespreksonderwerpen. En toch zijn er ondertussen een hoop wettelijke zaken gewijzigd. De praktijk blijkt echter hardleers. Het is weer een onderzoekje weer een comissietje.

Achter de dekmantel van allerlei voorschriften en verplichtingen tiert het onkruid van ongestraft schenden van de regels welig. Kinderbeschermers mogen gewoon liegen en bedriegen. Is de inzage in dossiers geregeld blijkt het weer een loze regel omdat schaduwdossiers worden aangelegd.

Homo sapiens non urinat in ventum!” is de stelling van Theo Rich­el bij mijn artikel over de klacht­behandeling rechterlijke macht. Eerst denk ik dat mij alleen via een omweg probeert te pakken op nodeloos gebruik van Latijn van mijn zijde (Quis custodet ipsos custodes). Maar natuurlijk schuilt er ook een inhoudelijke bood­schap achter. Mensen pissen niet tegen de wind in, maar Joep wel.

Ik moet dus blijkbaar begrijpen dat het doen van opbouwende voorstellen over de manier waarop de rechterlijke macht hier georganiseerd zou moeten zijn een vrij agressieve daad is naar hun (pissen)

Hier lijkt te worden gezegd dat rechters een soort natuur­kracht zijn. Verzet ertegen is net zoiets als verzet tegen de wind. En daar­mee komt het dicht bij verzet tegen wind­molens (donquichotterie) ook al zijn molens an sich geen natuurkrachten.

Of is het wellicht een ernstige vorm van querulantisme, iets waar Theo zich er met zijn website “De querulant” anders ook wel weg mee weet. Waar ik overigens publiceer naast of in producten waar ook andersdenkenden publiceren vindt Theo mij overigens dikwijls weinig roervast. Toch is bijvoorbeeld Vincent Duindam een stuk integerder dan de gezamenlijke rechterlijke macht. In zekere zin mak ik zeker gebruik van de stroom ( bijvoorbeeld de aandacht voor zorgende vaders) maar ik weiger me uit te laten stromen.

In feite steek ik slechts mijn paraplu op om te voorkomen dat anderen over mij heen staan te zeveren en raaskallen (het woord pissen zal ik in dit verband maar even niet noemen)

En om niet al te slachtofferig over te komen maak ik ook zelf nog een punt.

Het gaat niet om de vraag of ik niet tegen de wind in moet piesen. De kwestie is dat de wind eens een keer uit een andere hoek moet komen waaien zodat ik mijn blaas kan legen en mijn gal kan spugen zonder de facto als een persona non grata te worden behandeld.

Pissig, dat wel dus. En terecht en zoals bekend laat ik mij dat niet afnemen. Of eigenlijk….ik laat het me al teveel afnemen.

Advertenties
%d bloggers liken dit: