Home

Raadsonderzoeken al 15 jaar gebaseerd op corrupt wetenschappelijk onderzoek

21 mei 2017

(aan directeur Raad voor de Kinderbescherming)

stripkaart-

Kaart naar aanleiding van uitspraken Spruijt

Geachte Mevrouw Roeters,

Gelieve bijgaand  het verslag van onze bijeenkomst van 8 maart jongstleden aan te treffen.

Ik kwam daar weer de passage tegen over het corrupte onderzoek van Dhr Spruijt waarnaar, voor zover ik het kan zien, nog regelmatig door uw organisatie wordt verwezen .

Graag wil ik u er persoonlijk op attenderen dat al bij het begin van het onderzoek van Spruijt op 11 september 2002 door mij, namens het actiecomité Stop Omgangsonrecht, erop werd gewezen dat de manier waarop dit onderzoek toen werd opgezet niet door de beugel kan. Ik schreef daar ook een artikel over dat in het Engelstalige blad In Search of Fatherhood werd gepubliceerd. Uw organisatie heeft zich hier niets van aangetrokken. Inmiddels zijn duizenden kinderen en ouders de dupe van dit ‘wetenschappelijk’ onderzoek.

Graag verneem ik van u of u bereid bent om publiekelijk een stelling in te nemen over deze gang van zaken en wat mij betreft aan te kondigen te stoppen met het gebruik van dit soort onderzoek. Mogelijk zit er ook nog een excuus in naar de vele kinderen en ouders die de dupe waren. Mogelijk beperkt dat excuus zich niet tot de laatste 15 jaar, aangezien het beleid daarvoor niet beter was (zoals ik uit eigen ervaring weet). Het onderzoek van Spruijt lijkt niet meer dan het op een ondeugdelijke manier verantwoorden van bestaand beleid.

Het lijkt me een goede zaak een en ander nog een keer in een gesprek door te spitten, zoals in het gesprek van 8 maart al was verzocht.

Met vriendelijke groet

Joep Zander

Dossier Spruijt  (over dit onderzoek)

verslag bijeenkomst raad def

Advertenties

4 Responses to “Raadsonderzoeken al 15 jaar gebaseerd op corrupt wetenschappelijk onderzoek”

  1. hgrk Says:

    ook dit behoeft aandacht:

    Het door Harry Berndsen geschreven rapport over de ‘keten infantiliteit’ in de Jeugdzorg naar aanleiding van zijn uitzending in de Monitor in maart 2017.

    Bijgaand het rapport door Harry Berndsen:

    KETEN INFANTILITEIT IN DE JEUGDZORG

    Aanleiding:
    In de uitzending van Monitor (KRO-NCRV) van 19 maart 2017 heb ik de aanduiding
    “keteninfantiliteit” gebruikt. Van veel kanten is mij gevraagd om wat uitgebreider aan te
    geven wat ik daarmee bedoel. Het navolgende is een antwoord op dat verzoek. Deze uitleg
    kan op verschillende manieren nuttig zijn.
    • Als uitleg van de betekenis;
    • Als spiegel en voortdurend aandachtspunt voor de schakels in de keten;
    • Als input voor inspecties, beleidsmakers en de wetgever om meer consistentie tussen
    wetgeving, beleid en het operationele veld te realiseren;
    • Als checklist voor cliënten in de keten en hun adviseurs en advocaten om inzicht te
    krijgen in de momenten waarop zaken zijn misgegaan en als mogelijkheid de
    schakels daarop te wijzen.
    Infantiel betekent letterlijk “kinderachtig”, maar dient in relatie tot keteninfantiliteit vooral
    begrepen te worden als “onbenullig” of “misleidend”.
    Keteninfantiliteit betekent dat de schakels in de jeugdzorgketen klakkeloos of uit gebrek aan
    bekwaamheid, of uit luiheid of bewust (misleiding) elkaars onbenulligheden en onwaarheden
    overnemen.

    1. De wet:
    In 2002 werd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) als artikel 21
    opgenomen: “Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten
    volledig en naar waarheid aan te voeren.”

    In de Jeugdwet van 2015 werd dit artikel in vrijwel gelijke bewoordingen en nu
    specifiek gericht op de Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde
    Instelling, als artikel 3.3 opgenomen: “De Raad voor de Kinderbescherming en de
    Gecertificeerde Instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van
    belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.”
    Met andere woorden, waarheidsvinding dient in de jeugdzorgketen geborgd te zijn.
    Het betreft in dezen geen waarheidsvinding in strafrechtelijke zin. Dat wordt door
    tegenstanders van waarheidsvinding nogal eens, misleidend, geopperd.
    De wetgever beoogt met artikel 3.3. in de Jeugdwet met name waarheidsvinding in
    wetenschappelijke zin. Dat wil zeggen dat onderzoekers gebruik dienen te maken
    van wetenschappelijk betrouwbare en gevalideerde instrumenten om de leef- en
    opvoedingssituatie van de minderjarige naar waarheid en volledig in kaart te
    brengen en als zodanig ook bij de kinderrechter aan te voeren.

    In zijn brief van 13 april 2016 benadrukt de Minister van Veiligheid en Justitie aan de
    Tweede Kamer: “Verantwoord omgaan met waarheidsvinding is cruciaal voor de
    onderbouwing van de ingrijpende en vaak complexe beslissingen die professionals
    moeten nemen ten aanzien van kinderen en ouders.”
    De consequentie van het voorgaande is dat de ‘onderzoekers’ die door Veilig Thuis
    en de Raad voor de Kinderbescherming worden ingezet, getraind dienen te zijn in het
    gebruik van wetenschappelijk betrouwbare en gevalideerde instrumenten opdat de
    leef- en opvoedingssituatie van minderjarigen volledig en naar waarheid in kaart
    gebracht kan worden.
    Helaas heeft de wetgever verzuimd deze noodzakelijke kwalitatieve voorwaarde
    juridisch te borgen. Ook de Raad en Veilig Thuis hebben deze implicatie voor de
    kwaliteit van hun ‘onderzoekers’ niet operationeel vertaald.
    Daarom staat ‘onderzoekers’ in relatie tot Veilig Thuis en tot de Raad voor de
    Kinderbescherming tussen aanhalingstekens: een onderzoeker is wetenschappelijk
    en universitair opgeleid of op z’n minst getraind in de toepassing van valide en
    betrouwbare onderzoeksinstrumenten. Veruit de meerderheid van de ‘onderzoekers’
    van de Raad en Veilig Thuis is dat niet.
    In feite doen zij niet meer dan, d.m.v. de onbetrouwbare en niet valide
    interviewmethode, informatie verzamelen. Het enige dat zij na hun verzamelacties
    weten is wat hun informanten hebben gezegd.
    Wat zij met deze methode niet kunnen weten is of deze informanten de waarheid
    hebben gesproken en volledig zijn geweest. Wat zij ook niet kunnen weten is of de
    geïnterviewden, zoals ouders, minderjarigen en overige informanten, maar van alles
    hebben verzonnen.

    Met deze aanpak wordt al vele jaren een praktijk in stand gehouden die niet op
    waarheidsvinding is gebaseerd.
    De aldus verzamelde informatie leidt zonder uitzondering tot het bekende
    ongestructureerde klinische oordeel: een oordeel en een daarop gebaseerd advies
    dat per definitie inaccuraat, subjectief, vertekend en onbetrouwbaar is.
    Dit element, opgeteld bij de bijdragen van de ouders en/of advocaat, vormt de
    wankele basis waarop de kinderrechter geacht wordt besluiten te nemen over
    ingrijpende en “vaak complexe” beslissingen aangaande minderjarigen.
    Voor minderjarigen en ouders zeer ingrijpende en ook traumatiserende beslissingen
    worden doorgaans genomen op basis van een boterzachte onderbouwing of nog
    erger, op basis van drijfzand.
    De vereisten uit de wet inzake waarheid en volledigheid zijn niet consequent vertaald
    in de relevante kwaliteitseisen voor de werkers en onderzoekers in de
    jeugdzorgketen. Keteninfantiliteit is aldus een, als het ware, genetisch kenmerk
    geworden van alle schakels.

    2. Schakels in de keten:
    In de kern samengevat bestaan de schakels in de jeugdzorgketen uit:
    de melding > Veilig Thuis > Raad voor de Kinderbescherming > kinderrechter> Gecertificeerde Instelling.
    3. De melding:
    Nederland is het enige land ter wereld met een verplichte screening op
    kindermishandeling. De afgelopen jaren is, o.a. door een ongebreidelde invoering van
    meldcodes en meldplichten, een enorme druk op instanties en op de samenleving
    ontstaan om vermoedens van kindermishandeling/huiselijk geweld terstond te
    melden. De infantiliteit of onbenulligheid in deze schakel neemt inmiddels groteske
    vormen aan. Toelichting:
    a. Ouders die met hun kind bij de artsenpost of spoedeisende hulp komen, worden
    verplicht gescreend. Arts-onderzoeker Maartje Schouten schrijft in haar
    proefschrift (promotie in maart 2017 UMC Utrecht) dat dit heeft geleid tot een
    hausse aan valse verdenkingen van kindermishandeling in de door haar
    onderzochte situaties: van elke 100 verdenkingen waren er 92 onterecht.
    Het gebruik van vragenlijsten waarvan de betrouwbaarheid en validiteit niet is
    onderzocht leidt op de afdeling spoedeisende eerste hulp tot een overmaat van
    onterechte verdenkingen (97 op de 100). Tegelijkertijd worden kinderen die wel
    mishandeld worden niet of niet tijdig gesignaleerd.
    b. Scholen melden niet alleen hun eventuele zorgen over een kind. Toenemend
    wordt wangedrag van ouders gemeld. Het kind verdwijnt daarmee naar de
    achtergrond en conflicten tussen ouders en de school worden niet meer intern
    opgelost, maar over de schutting bij Veilig Thuis neergelegd.
    c. Buren-, familieruzies en conflictscheidingen zijn toenemend aanleiding om valse
    meldingen te doen. Beschuldigingen over huiselijk geweld, kindermishandeling en
    seksueel misbruik van jonge minderjarigen doen het goed bij de instanties.
    Ook het stigmatiseren van personen door hen een psychiatrische aandoening toe
    te schrijven, borderline en narcisme zijn redelijk populair, neemt hand over hand
    toe. Het elkaar dwarszitten door Veilig Thuis op iemands dak te sturen is daarbij
    het bovenliggende motief. Veilig Thuis is geneigd om deze valse meldingen al te
    serieus te nemen, met alle emoties en spanningen van dien voor de onterecht
    beschuldigden.
    Een betrouwbaar en valide instrumentarium om het waarheidsgehalte van meldingen
    te bepalen ontbreekt. Ook is triage op dit punt ontoereikend. Onbenulligheid in de
    jeugdzorgketen begint dus al in deze eerste schakel.
    d. Veilig Thuis:
    Zoals aangegeven beschikt Veilig Thuis ten eerste niet over een betrouwbaar en
    valide instrumentarium om meldingen op hun waarheidsgehalte te beoordelen.

    De informatieverzamelaars van Veilig Thuis beschikken bovendien niet over de
    vereiste bekwaamheden en instrumenten om de leef- en opvoedingssituatie van
    minderjarigen naar waarheid en volledig in kaart te brengen.
    Ten tweede bevatten rapportages van Veilig Thuis ook regelmatig informatie zonder
    dat duidelijk is van wie de informatie afkomstig is en wat er gehoord, gezien en
    vastgesteld is. Dergelijke informatie krijgt daarmee min of meer het karakter van
    roddel en achterklap.
    Ten derde leiden, gezien de voorgaande elementen, verzoeken van Veilig Thuis te
    vaak tot onnodig onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming.
    De onbenulligheid in en van de Veilig Thuis-rapportages prevaleert dan boven de
    vuistregel van de Raad dat deze pas in actie komt als er sprake is van aantoonbare
    risico’s voor de veiligheid van een kind.
    M.a.w. de keteninfantiliteit continueert zich, mede door toedoen van de Raad, in de
    tweede schakel.
    e. De Raad voor de Kinderbescherming
    De zogenoemde raadsonderzoekers zijn geen onderzoekers maar voor het overgrote
    deel informatieverzamelaars. In het kwaliteitskader van de Raad wordt melding
    gemaakt van een “onderzoeksmodel.” Deze voorstelling van zaken is onjuist: de
    Raad heeft geen onderzoeksmodel.
    Wel een “doorontwikkelde methode raadsonderzoek” (zie Methode raadsonderzoek
    bescherming, juli 2015), maar dat is geen methode die bijdraagt aan waarheidsvinding.
    Het belangrijkste onderdeel van deze methode is en blijft het interview, persoonlijk of
    telefonisch en op basis van standaardvragen.
    Zoals aangegeven is het interview geen betrouwbaar en valide onderzoeksinstrument
    omdat de enige wetenschap na een interview datgene is wat de geïnterviewde heeft
    gezegd. Er bestaat, ook bij de raadsverzamelaar, geen enkele zekerheid over het
    waarheids- en volledigheidsgehalte aangaande de door hem/haar verzamelde en te
    presenteren informatie.
    De Raad heeft getracht het interview meer ‘body’ te geven door de
    raadsverzamelaars te trainen in de oplossingsgerichte gespreksvoering. Gelet op de
    toelichting in de “Methode raadsonderzoek bescherming” is het een
    interviewmethode die m.n. in de jaren zestig van de vorige eeuw populair was. Deze
    vorm van gespreksvoering leidt doorgaans tot het meer concretiseren van de
    informatie en draagt bij aan het meer in zijn/haar kracht zetten van de cliënt. Aan
    verbetering de validiteit en betrouwbaarheid en dus van waarheidsvinding, draagt
    deze gespreksvoering niet bij.
    Conclusies, ook in raadsrapporten, dienen tot stand te komen door de in kaart
    gebrachte werkelijkheid (waarheid) te toetsen aan expliciete
    (gedrags)wetenschappelijke (pedagogiek/ontwikkelingspsychologie/filosofie) normen.
    De beschrijving van deze normen ontbreekt in raadsrapporten, waarmee voor de
    raadsverzamelaar de weg vrij is om de eigen persoonlijke, subjectieve en impliciete
    normen sluipenderwijze in de conclusies te verwerken.

    Deze conclusies en adviezen in raadsrapporten komen mede voort uit de onbenullige
    aanname dat hetgeen informanten beweren ook waar is. Nog ernstiger is dat de
    ‘zorgen’ die in rapporten worden geuit, per definitie zijn gebaseerd op het eigen
    subjectieve en impliciete normenstel van de ‘zorgeigenaar’. Het volstrekte gebrek aan
    transparantie over de normatiek, ontaardt in raadsrapporten die onbetrouwbaar,
    inaccuraat en subjectief zijn en die derhalve ver weg staan van waarheidsvinding en
    van besluitvorming die recht doet aan de belangen van de minderjarige.
    Om het ondermaatse waarheidsgehalte te maskeren maakt de Raad in zijn
    rapportages veelvuldig gebruik van inhoudsloze mantra’s of het fabriceren van
    “zorgen” om de kinderrechter mee te krijgen. Deze mantra’s worden vervolgens, door
    toedoen van de kinderrechter, tot onaantastbare (juridische) waarheden verheven.
    Enkele voorbeelden:
    • “De Raad ziet het risico dat langdurige strijd zal worden gevoerd tussen de ouders”:
    (Commentaar: de Raad “ziet” helemaal niets. De Raad doet een loze voorspelling gebaseerd
    op de Glazen Bol-benadering)
    • “Dit alles brengt het grote risico met zich mee dat hun ontwikkeling (van de
    minderjarigen) verder verstoord raakt en hun zorgelijk functioneren toeneemt.”
    (Commentaar: dit is een veel gebruikte poging om te misleiden: in het gehele betreffende
    raadsrapport wordt op geen enkele wijze aangetoond dat de ontwikkeling van de
    minderjarigen verstoord is of dat er sprake is van zorgelijk functioneren. De misleiding zit hem
    in het gebruik van de aanduidingen “verder” en “toeneemt”.
    • Na een scheidingssituatie beweert de Raad –zonder bronvermelding zodat
    onduidelijk is of de Raad dit zelf heeft geconstateerd, gefabriceerd of van horen
    zeggen heeft – dat de betreffende minderjarigen “last ervaren” van de situatie. Op
    basis daarvan concludeert de Raad dat er “zorgen zijn over de sociaal-emotionele
    ontwikkeling van de kinderen”.
    (NB: als kinderen “last” ervaren van een scheidingssituatie lijkt mij dat een gezonde zaak. Als
    zij er geen last van zouden hebben was er vermoedelijk inderdaad iets aan de hand met hun
    sociaal-emotionele ontwikkeling en een reden tot zorg. In dit geval verzint de Raad deze
    zorgen. De staat van de sociaal-emotionele ontwikkeling is op geen enkele betrouwbare en
    valide wijze gemeten. De niet geconcretiseerde en daarmee inhoudsloze kreet “zorgen”, kan
    zonder uitleg niet meer zijn dan een verzonnen voorstelling van zaken).
    • Aanvullende voorbeelden van, niet onderbouwde en daarmee nietszeggende, uitdrukkingen
    uit raadsrapporten waarmee de Raad bij de kinderrechter meestal kan scoren:
    de Raad heeft het vermoeden….., het lijkt er op dat..,het is niet uitgesloten….., het kan zo
    zijn…, de Raad kan zich voorstellen…., de Raad acht het aannemelijk….., in het belang van
    de kinderen…., ernstige bedreiging van de ontwikkeling…., er zijn zorgelijke signalen…., er is
    grote kans op een gezinsdrama…
    Op basis van deze infantiele of onbenullige output van de derde schakel in de
    jeugdzorgketen is de kinderrechter aan zet.

    f. De kinderrechter:
    In termen van gedragswetenschappelijke kennis van zaken vormt de kinderrechter de
    meest zwakke schakel in de keten. Opvallend is dat deze schakel tegelijkertijd over
    de meeste macht beschikt, t.w. beslissingsbevoegdheid over zaken als
    ondertoezichtstelling, het afgeven van aan machtiging tot uithuisplaatsing en het
    opleggen van psychiatrisch of psychologisch onderzoek.
    Kinderrechters zijn opgeleid als jurist en hebben als gevolg daarvan een vooral
    procedurele oriëntatie. Zij hebben doorgaans weinig benul van pedagogische en
    ontwikkelingspsychologische inzichten op wetenschappelijk niveau. In termen van de
    belangen van minderjarigen is de kinderrechter daarom onvoldoende in staat om
    inhoudelijk de juiste afwegingen te maken. Ook in onderzoeks- en methodologisch
    opzicht is de kinderrechter niet geschoold en getraind. De kinderrechter is noch
    psycholoog, noch pedagoog, noch methodoloog, noch wetenschapper.
    Hij/zij moet dus kunnen vertrouwen op de kwaliteit van de input van de Raad en de
    Gecertificeerde Instelling (GI) en op grond daarvan zijn eigenlijke taak uitvoeren, t.w.
    toetsen.
    Door het gebrek aan waarheidsgehalte en het gebrek aan inzicht in de gebruikte
    normatiek, wordt de kinderrechter niet voorzien van beslisinformatie van voldoende
    niveau. Mede gelet op de impact ervan, vormen de beslissingen van de kinderrechter
    daarom het grootste afbreukrisico voor minderjarigen in de keten. De kinderrechter
    baseert zijn/haar beslissingen op drijfzand en heeft dientengevolge geen benul van
    de kwaliteit van zijn/haar beslissingen, die aldus kindgevaarlijk kunnen uitpakken.
    In Nederland weet niemand, en dat geldt ook voor de kinderrechter zelf, hoeveel
    ondertoezichtstellingen en machtigingen uithuisplaatsingen er terecht (en dus ook
    onterecht) worden uitgesproken.De kinderrechter heeft derhalve geen benul van de
    kwaliteit van zijn/haar functioneren omdat het resultaat van dit functioneren niet wordt
    gemeten.
    Een onterecht uitgesproken OTS of machtiging UHP is een acute ernstige bedreiging
    voor de ontwikkeling van de minderjarige, is een vorm van kindermishandeling en
    werkt ontwrichtend op een gezin en traumatiseert de (groot)ouders en ook vaak
    andere familieleden.
    Goede kinderrechters zijn zich bewust van hun pedagogische, psychologische en
    onderzoeksmethodologische beperkingen. Zij zijn zich ook zeer bewust van het feit
    dat de Raad voor de Kinderbescherming en de GI in hun rapportages de feiten niet
    naar waarheid en volledig aanvoeren. (NB. Het is zeer zorgelijk en in termen van
    rechtsstatelijkheid abject, dat instanties die overheidstaken uitvoeren, hand in hand met
    kinderrechters, kennelijk de wet mogen overtreden).

    Gelet op de onbetrouwbaarheid van de rapportages en gezien het grote afbreukrisico
    van een foutieve beslissing, zijn goede kinderrechters geneigd scherp door te vragen
    en de zittingstijd af te stemmen op de ernst van de zaak. Bovendien zal deze
    kinderrechter per definitie de professionele documenten opeisen die vereist zijn als
    de GI of de Raad uitspraken doet over de (vermoedelijke) geestelijke en lichamelijke
    gezondheid van een cliënt of over diens opvoedingsvaardigheden.
    Deze kinderrechter gaat er ook van uit dat de GI en de Raad zich “niet zomaar
    kunnen beroepen op hun professionele inschatting.” (Rapport Kinderombudsman Marc
    Dullart, “Is de Zorg Gegrond,” 10 december 2013, pagina 79). In hetzelfde rapport
    is op pagina 82 in het ingekaderde gedeelte te lezen wat van een kwalitatief goede
    kinderrechter mag worden verwacht. (Familiekamer rechtbank Amsterdam, zomer 2013).
    Het tweede type kinderrechter is de ineffectieve en niet congruente kinderrechter. Dat
    is de rechter van wie het zelfbeeld aanzienlijk afwijkt van de werkelijkheid omtrent
    hem/haarzelf. Hij/zij heeft de onbenullige neiging erop te vertrouwen dat GI en Raad
    de informatie naar waarheid aanvoeren. Deze rechter vraagt niet scherp door,
    hanteert een marginale toetsing van de aangeleverde informatie, houdt de
    zittingsduur kort en vraagt zich zelden af waarom de GI de in de vorige beschikking
    gegeven opdrachten niet heeft uitgevoerd.
    Hij/zij is het type rechter dat overal verstand van denkt te hebben. Zo was er een
    rechter van een gerechtshof die een door een gedragswetenschapper van een GI
    opgestelde risicotaxatie inzake kindermishandeling, bestempelde als een gedegen en
    valide rapport. Dat werd zelfs in de beschikking vastgelegd.
    De geëtaleerde onbenulligheid van dit oordeel blijkt uit het feit dat de
    gedragswetenschapper de, voor een juiste beoordeling noodzakelijke
    wetenschappelijke onderbouwing van de risicotaxatie, niet aan het hof had doen
    toekomen. Iemand die (gedrags)wetenschappelijk is opgeleid weet dan dat de
    uitspraak over de validiteit en degelijkheid van de taxatie per definitie onmogelijk,
    derhalve onbenullig, is.
    Het ineffectieve type kinderrechter heeft ook een heel bijzondere eigenschap: deze
    meent te beschikken over het “Magisch Oog”: “het heilig geloof in het eigen
    vermogen om de waarheid rechtstreeks te zien, ook zonder bewijsmateriaal en
    eventueel ook tegen het bestaande bewijsmateriaal in.” (Ton Derksen, Het OM in de
    fout, pagina 15.) Deze kinderrechter ‘ziet’ als ouders de rechtszaal binnenkomen,
    in één oogopslag of zij wel of geen geschikte opvoeders zijn. Dat geldt ook voor
    zijn/haar mening over minderjarigen. Laatst riep een kinderrechter, na het horen van
    een minderjarige van 14 jaar over mishandeling: “ach, kinderen zeggen zoveel.”
    g. De Gecertificeerde Instelling:
    Na een beslissing van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling of machtiging
    uithuisplaatsing komt de Gecertificeerde Instelling, in feite de jeugdzorgwerker, in
    beeld. Deze medewerkers werken onder verschillende benamingen zoals
    jeugdbeschermer, gezinsmanager, gezinscoach, gezinsvoogd. Aangaande hun
    kwaliteiten op het gebied van waarheidsvinding verwijs ik naar mijn opmerkingen over
    de verzamelaars van Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming.

    Een zeer belangrijk instrument voor de GI en dus de gezinsvoogd en de cliënt is het
    wettelijk voorgeschreven Plan van Aanpak. Een gedegen Plan van Aanpak, dat goed
    aansluit op de in de beschikking genoemde ontwikkelingsbedreigingen, dat SMART*
    is geformuleerd en in goed overleg met de cliënt is opgesteld, is een onmisbaar
    stuurinstrument en een eerste en cruciale stap naar succes. Succes betekent dat de
    ontwikkelingsbedreigingen op zo kort mogelijke termijn zijn weggenomen en dat
    ouders/opvoeders geleerd hebben en op eigen kracht verder kunnen.
    Stuurinstrument houdt in dat de juiste acties gepland en bewaakt kunnen worden
    Helaas zijn nog veel plannen van aanpak van ondermaatse kwaliteit, waardoor niet
    gericht op verbetering kan worden gestuurd. Kenmerkend voor een slecht Plan is
    • het klakkeloos kopiëren van met name de inhoudsloze teksten uit raadsrapporten;
    doorgaans zijn dat nogal wat pagina’s;
    • gebrek aan meetbaar geformuleerde resultaten en activiteiten;
    • het langdurig uitstellen van het maken van een Plan van Aanpak, hetgeen leidt tot
    langdurige periodes van nietsdoen door de GI en tot uitzichtloos afwachten voor de
    cliënt.
    Dikwijls wordt ook ‘vergeten’ dat volgens de wet allereerst aan de cliënt de vraag
    dient te worden gesteld om zelf een Plan van Aanpak, een zogenoemd
    Familiegroepsplan op te stellen.
    Een slecht Plan van Aanpak maakt het ook niet goed mogelijk om een goede
    evaluatie te doen. Nog onafhankelijk van de kwaliteit van het Plan voldoen de
    evaluaties dikwijls niet aan de daarvoor geldende criteria.
    Evalueren betekent waarde schatten. Concreet houdt dit in dat in het licht van de in
    het Plan meetbaar en in de tijd geformuleerde resultaten en activiteiten wordt bezien
    a. of de resultaten zijn behaald en de activiteiten naar behoren zijn uitgevoerd;
    b. in welke mate de resultaten zijn bereikt;
    c. in welke mate de activiteiten zijn uitgevoerd;
    d. welke oorzaken ten grondslag liggen aan het niet of beperkt uitvoeren van de
    activiteiten en het niet of beperkt bereiken van de resultaten.
    *SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden. Daarmee wordt een
    Plan van Aanpak voorzien van meetbare/toetsbare resultaten en activiteiten, in de tijd vastgelegd, met
    een eenduidige verantwoordelijkheidstoedeling.

    Mits deze evaluatie met de juiste valide en betrouwbare instrumenten wordt
    uitgevoerd, is dit een algemeen aanvaarde en als gedegen bekend staande methode.
    Deze ontbreekt in vrijwel alle evaluaties van de GI. Bovendien wreekt zich in dezen
    het principe van ‘de slager keurt zijn eigen vlees’: het is de GI zelf die de oorzaken
    van mogelijke mislukkingen in kaart brengt.
    Het is een opvallend en tegelijkertijd verontrustend fenomeen in de evaluaties van de
    GI dat de oorzaak van een mislukt Plan van Aanpak te allen tijde bij de cliënten,
    anderen of omstandigheden wordt gelegd. Nimmer bij de GI zelf. Ook vermijdt de GI
    met regelmaat te vermelden waarom de in de beschikking vastgelegde opdrachten
    van de kinderrechter niet zijn uitgevoerd.
    CONCLUSIE
    De wetgever heeft bepaald dat de informatie van de Raad voor de Kinderbescherming en
    van de Gecertificeerde Instelling volledig en naar waarheid aan de kinderrechter dient te
    worden voorgelegd.
    De schakels in deze keten, maar ook de verantwoordelijke bewindslieden, staan met open
    ogen toe dat de wet op dit punt structureel overtreden wordt.
    Op basis van deze overtredingen door kinderrechters en instanties die overheidstaken
    uitvoeren zoals Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming en GI, worden ouders en
    minderjarigen veroordeeld tot bijvoorbeeld ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en
    onderwerping aan psychiatrisch/psychologisch onderzoek.
    Hoeveel rechterlijke blunders, dwalingen en missers er bij deze veroordelingen plaatsvinden
    is volstrekt onbekend. In elk geval is elke misser er één te veel en ook leidt elke misser tot
    een abjecte gebrek aan rechtsstatelijkheid in de bejegening van minderjarigen en ouders.
    In dergelijke gevallen is naar alle waarschijnlijkheid sprake van ontvoering of
    wederrechtelijke onttrekking aan het ouderlijk gezag, laster of kindermishandeling.
    De regisserende overheid is daarmee dan verantwoordelijk voor de meest
    grensoverschrijdende consequenties van
    keteninfantiliteit in de jeugdzorg

    Drs. H. (Harry) Berndsen,
    5 mei 2017

    Like

  2. joepzander Says:

    Dit is op Joep Zander weblog herblogden reageerde:

    het tamelijk nietszeggende antwoord van de directie van de Raad voor de Kinderbescherming op (oa)mijn brief /blog van 21 mei

    Geachte heer Zander en mevrouw Van Woerkom,

    De RvdK wordt in alle gevallen geleid door het belang van het kind. Het kind staat te allen tijd centraal en op grond daarvan handelen wij. Wij gaan ervan uit dat deze centraalstelling van het kind ook in het belang is van de ouders.

    Het is overigens juist dat de RvdK met de heer Spruyt heeft samengewerkt, de heer Spruyt heeft in opdracht van de RvdK literatuurstudie gedaan. Dat wil niet zeggen dat wij ons laten leiden door één enkele wetenschapper.

    Onze gedragsdeskundigen hebben aandacht voor meerdere studies die handreikingen bieden.

    Zoals in mijn mail van 20 maart naar u is gecommuniceerd, hebben wij op 8 maart jl. de onderstaande vier actiepunten gehaald uit de thema’s die toen besproken zijn:

    – De tijdigheid van interventie;

    – Het netwerk als preventief en ondersteunend middel;

    – Het onderzoek naar feiten n.a.v. signalen vervreemding/verstoting;

    – Actualiseren en verbreden van wetenschappelijke kennis.

    Deze actiepunten zijn geagendeerd in onze organisatie. U kunt ervan uitgaan dat onze raadsonderzoekers en gedragsdeskundigen daar kennis van nemen.

    Ik vertrouw erop u zo voldoende te hebben geïnformeerd,

    Hartelijke groet,

    Annette Roeters

    Like


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: